Voltooid deelwoord en v.t.t.
Voltooid deelwoord en v.t.t.
This item has no instructions
Lesdoel
Ik kan de v.t.t. juist vormen met hebben of zijn en het voltooid deelwoord correct gebruiken.
This item has no instructions
Welke woorden passen volgens jou bij de v.t.t.?
Gebruik de antwoorden als voorkennisactivatie. Verwachte woorden: hebben, zijn, verleden, gebeurd, voltooid deelwoord, ge-.
Wat is de v.t.t.?
De voltooide tegenwoordige tijd vertelt dat iets al gebeurd is.
Je maakt de v.t.t. met:
een vorm van hebben of zijn
het voltooid deelwoord
Voorbeelden:
Ik heb gespeeld.
Zij is vertrokken.
Benadruk dat de v.t.t. gaat over een handeling die klaar is, maar wel verbonden blijft met het nu.
De bouw van de v.t.t.
Schema:
onderwerp + hebben/zijn + voltooid deelwoord
Voorbeelden:
Wij hebben gewerkt.
Hij heeft gelachen.
De trein is aangekomen.
Wijs aan dat het hulpwerkwoord verandert met het onderwerp: ik heb, jij hebt, hij heeft, wij hebben.
Wanneer gebruik je hebben?
Meestal gebruik je hebben in de v.t.t.
Voorbeelden:
Ik heb mijn boek gelezen.
Jullie hebben gevoetbald.
Zij heeft een tekening gemaakt.
Denkregel: bij de meeste werkwoorden kies je hebben.
Laat leerlingen eerst vertrekken van hebben als standaardkeuze. Dat maakt de keuze eenvoudiger.
Wanneer gebruik je zijn?
Soms gebruik je zijn.
Vaak is dat bij werkwoorden van:
beweging: ik ben gevallen
verandering: het water is bevroren
verplaatsing: wij zijn gekomen
Voorbeelden:
Zij is vertrokken.
Wij zijn aangekomen.
Houd het eenvoudig op 11-jarig niveau: beweging, verandering en verplaatsing. Vermijd te veel uitzonderingen op dit moment.
Hebben of zijn?
Vergelijk:
Ik heb een brief geschreven.
Ik ben naar school gegaan.
hebben past vaak bij een handeling.
zijn past vaak bij verplaatsing of verandering.
Gebruik eventueel extra mondelinge voorbeelden zoals slapen, lopen, springen, vertrekken, groeien.
Welke zin staat in de v.t.t.?
Ik speel buiten.
Wij hebben gewerkt.
Zij vertrekt nu.
Mama komt thuis.
Toetst of leerlingen de vorm van de v.t.t. herkennen: hulpwerkwoord + voltooid deelwoord.
Vul de juiste woorden in
In de v.t.t. gebruik je een vorm van hebben of zijn met een voltooid deelwoord. Bij de meeste werkwoorden kies je hebben. Bij verplaatsing of verandering gebruik je vaak zijn.
Herneemt de kern van slides 2 tot 6: bouw van de v.t.t. en keuze tussen hebben en zijn.
Wat is een voltooid deelwoord?
Het voltooid deelwoord is de werkwoordsvorm die samen met hebben of zijn de v.t.t. maakt.
Voorbeelden:
werken → gewerkt
spelen → gespeeld
maken → gemaakt
Benadruk dat het voltooid deelwoord niet alleen staat in deze les, maar samenwerkt met het hulpwerkwoord.
Zo vorm je het voltooid deelwoord
Vaak krijg je:
ge- vooraan
de stam van het werkwoord
-d of -t achteraan
Voorbeelden:
wonen → gewoond
werken → gewerkt
leren → geleerd
Zeg erbij dat dit een veelvoorkomend patroon is, maar dat niet elk werkwoord zich exact zo gedraagt.
Eindigt het op -d of -t?
Gebruik de regel van 't kofschip.
Eindigt de stam op een letter uit 't kofschip?
Dan krijgt het voltooid deelwoord meestal -t.
Voorbeelden:
werken → stam werk → gewerkt
fietsen → stam fiets → gefietst
Je hoeft niet alle details van de spellingtheorie uit te werken. Focus op herkenning van de stam en de keuze tussen -d en -t.
Wanneer krijg je -d?
Eindigt de stam niet op een letter uit 't kofschip?
Dan krijgt het voltooid deelwoord meestal -d.
Voorbeelden:
leven → stam leef → geleefd
horen → stam hoor → gehoord
maken → stam maak → gemaakt
Leg uit dat leerlingen altijd eerst de stam zoeken en daarna pas kiezen tussen -d en -t.
Onregelmatige vormen
Sommige werkwoorden volgen de gewone regel niet.
Voorbeelden:
zien → gezien
komen → gekomen
doen → gedaan
zijn → geweest
Die vormen moet je vaak onthouden.
Noem dat deze les vooral remediëring is: laat leerlingen zien dat niet alles met een vaste regel opgelost kan worden.
Welk voltooid deelwoord is juist gevormd?
gewerkt
gewerckt
gewerkd
gewerktt
Sluit aan bij de uitleg over ge- en de keuze tussen -d en -t. Veelgemaakte foutvormen zijn als afleiders gebruikt.
Vul de juiste vormen in
Het voltooid deelwoord krijgt vaak ge- vooraan. Daarna neem je de stam van het werkwoord. Eindigt die op een letter uit 't kofschip, dan schrijf je meestal -t. Anders schrijf je meestal -d.
Toetst de vormingsregel uit slides 7 tot 11, inclusief 't kofschip en het begrip stam.
Oefening: kies hebben of zijn
Lees de juiste vorm af in de v.t.t.
Ik _ naar huis gegaan. → ben
Wij _ een film bekeken. → hebben
Zij _ gevallen. → is
Jullie _ hard gewerkt. → hebben
Lees de zinnen traag voor en laat de werkwoorden benoemen: gaan, bekijken, vallen, werken.
Oefening: vorm het voltooid deelwoord
Maak van het werkwoord het juiste voltooid deelwoord.
spelen → gespeeld
poetsen → gepoetst
wonen → gewoond
breken → gebroken
Wijs erop dat breken een onregelmatige vorm heeft. Dat maakt het verschil tussen regelwerkwoorden en onregelmatige werkwoorden zichtbaar.
Oefening: maak de v.t.t.
Zet de hele zin in de v.t.t.
Ik speel buiten. → Ik heb buiten gespeeld.
Mama komt thuis. → Mama is thuisgekomen.
Wij leren Frans. → Wij hebben Frans geleerd.
Benadruk dat leerlingen nu beide stappen combineren: hulpwerkwoord kiezen én voltooid deelwoord vormen.
Veelgemaakte fouten
Let op voor deze fouten:
Ik is gegaan → fout
Ik heb gegaan → fout
Hij heeft gewerckt → fout
Juist is:
Ik ben gegaan
Hij heeft gewerkt
Foutenanalyse helpt bij remediëring. Leg kort uit waarom elke fout fout is: verkeerd hulpwerkwoord of verkeerde spelling.
Stappenplan
Werk in 3 stappen:
Zoek het werkwoord.
Kies hebben of zijn.
Vorm het voltooid deelwoord juist.
Zo bouw je de v.t.t. stap voor stap op.
Gebruik dit stappenplan als samenvatting die leerlingen ook bij latere oefeningen kunnen toepassen.
Welke v.t.t.-zin is juist?
Ik heb gegaan.
Hij heeft gewerckt.
Mama is thuisgekomen.
Ik is gevallen.
Combineert beide remediëringsdoelen: juist hulpwerkwoord kiezen én correct voltooid deelwoord schrijven.
Werk met het stappenplan
Om de v.t.t. te maken, zoek je eerst het werkwoord. Daarna kies je hebben of zijn. Ten slotte vorm je het juiste voltooid deelwoord. Zo schrijf je de zin stap voor stap juist.
Verankert het stappenplan uit de samenvatting en laat leerlingen de volgorde van denken herhalen.
Wat heb jij vandaag geleerd over de v.t.t.?
Laat leerlingen één duidelijk inzicht noemen, bijvoorbeeld: je maakt de v.t.t. met hebben/zijn + voltooid deelwoord, of je gebruikt vaak zijn bij verplaatsing/verandering.
Wat vond jij het moeilijkste deel van deze les?
Reflectie op het leerproces. Mogelijke antwoorden: 'hebben of zijn kiezen', 't kofschip', 'onregelmatige vormen', 'alles samen gebruiken in één zin'.
Woordenlijst
v.t.t. - de voltooide tegenwoordige tijd
hulpwerkwoord - werkwoord dat helpt om een werkwoordsvorm te maken
hebben - hulpwerkwoord dat je meestal gebruikt in de v.t.t.
zijn - hulpwerkwoord dat je gebruikt bij sommige werkwoorden van beweging, verandering of verplaatsing
voltooid deelwoord - werkwoordsvorm die samen met hebben of zijn de v.t.t. maakt
stam - de basisvorm van het werkwoord zonder uitgang
onregelmatig werkwoord - werkwoord dat niet volledig de gewone regel volgt
This item has no instructions