11. kahoot zinsdelen, o en pv, taalblokken

WAT WE VANDAAG GAAN DOEN
1.   Leerdoelen 
2.  Herhaling van zinsdelen
3.  Ophaalquiz in Kahoot
4.  Taalblokken


►StartUp inleveren

1 / 10
next
Slide 1: Slide
NederlandsMBOStudiejaar 1

This lesson contains 10 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

WAT WE VANDAAG GAAN DOEN
1.   Leerdoelen 
2.  Herhaling van zinsdelen
3.  Ophaalquiz in Kahoot
4.  Taalblokken


►StartUp inleveren

Slide 1 - Slide

1. LEERDOELEN
1. Je weet dat er twee manieren zijn om een zin te ontleden. 
2. Je weet waar en waarom je zinsdelen moet plaatsen.
3. Je weet het onderwerp van een zin te vinden.
4. Je weet de persoonsvorm van een zin te vinden en het werkwoordelijk gezegde.

Slide 2 - Slide

* BELANGRIJK *
Er zijn twee manieren om een zin te ontleden. 
Ten eerste de taalkundige manier, waarbij je losse woorden benoemt. 

  • Het zelfstandig naamwoord (boek, vis, fiets, auto, meisje)
  • Het lidwoord (de, het, een)
  • Het bijwoord (gisteren, buiten)
  • Het persoonlijk voornaamwoord (ik, jij, hij/zij/het/u/men, wij, jullie, zij)
  • Het bijvoeglijk voornaamwoord (groene, leuke, mooie)
  • Het voorzetsel/kastwoord (in, naast, op, onder, bij)
  • enz. enz. 





Slide 3 - Slide

* BELANGRIJK *
Er zijn twee manieren om een zin te ontleden. 
Ten tweede de redekundige manier, waarbij je zinsdelen benoemt. 
Het onderwerp, de persoonsvorm, het werkwoordelijk gezegde (en het lijdend voorwerp, de bijwoordelijke bepaling, het meewerkend voorwerp, enz.). 

→ Hiervoor moet je die zinsdelen weten te vinden. Een onderwerp kan namelijk uit meer dan één woord bestaan! En een werkwoordelijk gezegde ook! 
En wat is het hele werkwoord van de persoonsvorm? 


Slide 4 - Slide

2. ZINSDELEN
De zinsdelen van de zin 'De hond van de buren heeft mijn koekje gekregen', vind je als volgt:  
   
1. Zet de zin in een andere tijd. Dat wat verandert, is een werkwoord/de pv.
2. Zet streepjes (in je hoofd) meteen voor en na de persoonsvorm (pv). 
3. Je laat nu de persoonsvorm op dezelfde plek staan. 
    a) Dat wat ervóór staat, is al een zinsdeel. Die krijg je gratis.  
    b) Wat kan er nog meer vóór? Dat is dan ook een zinsdeel. 

Let op: het moeten nog wel goede Nederlandse zinnen zijn!  

    

Slide 5 - Slide

3. OPHAALQUIZ 
... over zinsdelen, het onderwerp, de persoonsvorm en het werkwoordelijk gezegde. [redekundig ontleden, dus met zinsdelen benoemen]

En ook over het zelfstandig naamwoord [taalkundig ontleden, dus met losse woorden benoemen]. 

Via Kahoot. 

Slide 6 - Slide

Slide 7 - Link

ZELFSTANDIGE NAAMWOORDEN
... die benoem je bij die andere manier van ontleden (taalkundig). Zelfstandige naamwoorden hebben drie kenmerken:

  1. er kan een lidwoord voor (de, het, een)
  2. je kunt het verkleinen
  3. je kunt het vermeerderen

(Misschien heb je het geleerd met 'mensen, dingen, dieren of planten')

Slide 8 - Slide

4. Taalblokken 2F en 3F: spelling en grammatica
2F: Ga naar Taalblokken, klik het niveau van jouw opleiding aan (2F) en vervolgens 'Spelling en Grammatica' dat je in het linkermenu ziet staan.

Daarna kies je '01. Grammatica' in het midden van jouw scherm. Het tiende onderdeel daaronder moet je hebben: 'Zinsbouw - persoonsvorm, onderwerp en werkwoordelijk gezegde'. Lees de theorie en maak de opdrachten.




Slide 9 - Slide

EINDE VAN DE LES

Slide 10 - Slide