OEFENTOETS ECONOMIE H3 AAN HET WERK

Oefentoets Economie
vmbo basis/ kader
Hoofdstuk 3
Aan het werk
1 / 43
next
Slide 1: Slide
EconomieMiddelbare schoolvmbo b, kLeerjaar 2

This lesson contains 43 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Oefentoets Economie
vmbo basis/ kader
Hoofdstuk 3
Aan het werk

Slide 1 - Slide

1. Een baan waar iemand voor wordt gezocht, noem je een

Slide 2 - Open question

2. Als jij die baan graag wilt hebben, dan kun je erop

Slide 3 - Open question

3. De arbeidsmarkt heeft twee kanten. Aan de ene kant zijn er bedrijven die personeel nodig hebben voor het werk.
Waaruit bestaat de andere kant?

A
Alleen mensen die werken.
B
Alleen mensen die werk zoeken.
C
Alle banen en vacatures bij bedrijven.
D
Mensen die werken of werk zoeken.

Slide 4 - Quiz

4. Geef een voorbeeld van arbeidsverdeling op een school.

Slide 5 - Open question

5. Marit en Susan werken allebei bij PostNL. Marit is pakketbezorger en Susan is secretaresse. Wie van hen doet geschoold werk?

Slide 6 - Open question

6. Geld verdienen is één reden om te werken.
Noem een andere reden om te werken.

Slide 7 - Open question

7. Wat voor baan heb je als je alleen werkt op de momenten dat een bedrijf je nodig heeft?
A
Een deeltijdbaan.
B
Een flexibele baan.
C
Een tijdelijke baan.
D
Een vaste baan.

Slide 8 - Quiz

9. Wat is een vacature?
A
Iemand die een baan zoekt
B
Iemand die een baan heeft
C
Een baan waar iemand aan het werk is
D
Een baan waarvoor iemand wordt gezocht

Slide 9 - Quiz

10. Wat is de arbeidsmarkt?
A
Alleen banen die er zijn bij bedrijven
B
Alleen mensen die werken of die werk zoeken
C
Alle banen die er zijn bij bedrijven en alle mensen die werken of die werk zoeken

Slide 10 - Quiz

11. Waarom is een goede arbeidsverdeling belangrijk voor een bedrijf?
A
Dan kan het bedrijf makkelijker personeel vinden
B
Dan heeft het personeel meer verschillende werk
C
Dan kan het personeel beter en sneller hun werk doen

Slide 11 - Quiz

12. Docent
A
Geschoold
B
Ongeschoold

Slide 12 - Quiz

13. Schoonmaker
A
Geschoold
B
Ongeschoold

Slide 13 - Quiz

14. Advocaat
A
Geschoold
B
Ongeschoold

Slide 14 - Quiz

15. Hoeveel uur moet je minstens per week werken als je een voltijd baan hebt?

Slide 15 - Open question

16. Eline heeft een andere baan. Toen ze stopte met haar oude baan, had Eline te maken met een ……………………………… van een maand.
A
arbeidsovereenkomst
B
cao
C
proeftijd
D
opzegtermijn

Slide 16 - Quiz

17. Aan het begin van haar nieuwe baan heeft ze een ……………………………… van zes weken.
A
arbeidsovereenkomst
B
cao
C
proeftijd
D
opzegtermijn

Slide 17 - Quiz

18. Deze afspraak heeft haar werkgever vastgelegd in haar ………………………………
A
arbeidsovereenkomst
B
cao
C
proeftijd
D
opzegtermijn

Slide 18 - Quiz

19. In een fabriek met machines moeten werknemers hun ogen en oren beschermen.
A
arbeidstijdenwet
B
arbowet
C
wet minimumloon

Slide 19 - Quiz

20. Karl werkt via een uitzendbureau bij een koeriersbedrijf.
Van wie van deze twee ontvangt Karl zijn loon?

Slide 20 - Open question

21. Een jongere mag niet werken tussen 23:00 uur en 6:00 uur.
A
arbeidstijdenwet
B
arbowet
C
wet minimumloon

Slide 21 - Quiz

22. Raoul is 20. Hij werkt als kok in een restaurant.
Zijn jongere broer Carlos werkt in de weekenden als afwashulp in de keuken. Carlos moet vaak opdrachten uitvoeren die Raoul hem geeft.

Raoul en Carlos zijn werkgevers.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 22 - Quiz

23. Raoul is 20. Hij werkt als kok in een restaurant.
Zijn jongere broer Carlos werkt in de weekenden als afwashulp in de keuken. Carlos moet vaak opdrachten uitvoeren die Raoul hem geeft.

Carlos heeft een deeltijdbaan.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 23 - Quiz

24. Raoul zijn loon is € 1.360 per maand. Op het loon van Raoul wordt € 96 ingehouden.

Bereken hoeveel Raoul per maand als nettoloon ontvangt.

Slide 24 - Open question

tabel 1

Slide 25 - Slide

25. Carlos is 16 jaar en verdient het minimumloon. Bereken hoeveel hij per week verdient als hij in een week in totaal 9 uur werkt.

Gebruik de gegevens uit tabel 1.

Slide 26 - Open question

26. Wat betekent de afkorting CAO?

Slide 27 - Open question

27. Steven heeft een shoarmazaak en twee mensen in dienst.
A
Werknemer
B
Werkgever

Slide 28 - Quiz

28. Wesley werkt bij de McDonalds achter de kassa.
A
Werkgever
B
Werknemer

Slide 29 - Quiz

29. Hoe lang mag een proeftijd maximaal duren?

Slide 30 - Open question

30. Waar staat de afkorting zzp-er voor?

Slide 31 - Open question

31. Merel volgt op school de sector Techniek. Na het vmbo wil zij een technische opleiding volgen in het mbo.

Geef een voorbeeld van een bedrijfstak waar Merel na het mbo zou kunnen gaan werken.

Slide 32 - Open question

Slide 33 - Slide

32. Bekijk de lijndiagram op de vorige dia.

Bereken de stijging van het aantal vacatures tussen het 1e kwartaal van 2015 en het 1e kwartaal van 2016.


Slide 34 - Open question

33. Remco is 36 en heeft geen baan. Hij is ook niet op zoek naar werk.

Alice is 39. Toen ze nog getrouwd was, had ze geen baan. Na haar scheiding is ze druk op zoek naar geschikt werk.

Wie van hen is werkloos?

A
Geen van beiden.
B
Alleen Remco.
C
Alleen Alice.
D
Remco en Alice.

Slide 35 - Quiz

34. Het UWV bekijkt of je recht hebt op een uitkering.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 36 - Quiz

35. Het UWV controleert of bedrijven zich houden aan de werk- en rusttijden.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 37 - Quiz

36. Leg met een voorbeeld uit dat mensen soms hun baan kwijt kunnen raken door technologische vernieuwingen.

Slide 38 - Open question

Slide 39 - Slide

37. Bekijk het staafdiagram op de vorige dia.

Tussen welke jaren nam het aantal werklozen met 50.000 af?

A
Tussen 2012 en 2013.
B
Tussen 2013 en 2014.
C
Tussen 2014 en 2015.
D
Tussen 2015 en 2016.

Slide 40 - Quiz

38. Je brutoloon is 3500.
De inhoudingen zijn 800. Wat is je nettoloon? Laat ook je bereking zien.

Slide 41 - Open question

39. Brutonloon: 3450
Nettloon: 2674.
Wat zijn de inhoudingen?

Slide 42 - Open question

Einde oefentoets

Slide 43 - Slide