PS2 - Woche 14 - Stunde 1

PS2 - Woche 14 - Stunde 1
1 / 17
next
Slide 1: Slide
DuitsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 2

This lesson contains 17 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

PS2 - Woche 14 - Stunde 1

Slide 1 - Slide

Planung

Wochenaufgaben checken + Wörter wiederholen

Grammatik: de 4e naamval
  • Het persoonlijk en vragend voornaamwoord in de vierde naamval (Akkusativ)

Selbstständig arbeiten:
  • Grammatik: Aufgabe 20, 21, 22, 23






Ziele

  • Je kent het persoonlijk en vragend voornaamwoord in de vierde naamval.





Slide 2 - Slide

Wochenaufgaben checken
Vor dem Unterricht:

Verbessert: Paragraf A, B
Fertig: K7
  • Paragraf C: hören
  • Paragraf D: lesen
Kennen: K7
  • Slim Stampen Paragraf B: Wortschatz kies 2 & invul 2
  • Slim Stampen Paragraf C: Hören
  • Slim Stampen Paragraf D: Lesen



Slide 3 - Slide


Slide 4 - Open question


Slide 5 - Open question


Slide 6 - Open question


Slide 7 - Open question

Sleep het juiste Duitse persoonlijk voornaamwoord naar het Nederlandse persoonlijk voornaamwoord
ik
jij
hij
zij e.v.
wij
jullie
het
u
zij
ich
ihr
er
es
wir
du
sie e.v
Sie
sie

Slide 8 - Drag question

persoonlijk of bezittelijk?
persoonlijk voornaamwoord: ich, du, er/sie/es, wir, ihr, sie Sie
  • verwijst naar een persoon / personen
  • vervangt een zelfstandig naamwoord

bezittelijk voornaamwoord: mein, dein, sein, ihr, unser, euer, ihr, Ihr
  • geeft aan dat iets van iemand is/bij iemand hoort
  • kan een de uitgang 'e' komen bij vrouwelijke en meervoud woorden (die)

Slide 9 - Slide

persoonlijk of bezittelijk

Weißt du wo meine Brille ist? Ich kann sie nicht finden.

Hast du deinen Stift mitgebracht? 

Slide 10 - Slide

1e naamval
ich  - ik 
du   - jij
er    - hij
sie  - zij
es   - het
wir  - wij
ihr   - jullie
sie   - zij
Sie   - u
wer  -wie?
4e naamval
mich     - mij
dich      - jou
ihn         - hem
sie         - haar
es          - es       
uns        - ons
euch     - jullie
sie         - hen
Sie        - u
wen     - wie?

Slide 11 - Slide

Welches Bett ist für mich?
Ich habe ein Poster für dich gekauft.
Hast du eine Lampe für ihn?
Hier ist ein Stuhl für sie.
Haben Sie eine Wohnung für uns?
Ich habe die Möbel für euch bezahlt.
Hier sind noch Stühle für sie.
Was kann ich für Sie tun?
Für wen hast du mitgebracht?

De vormen mich, dich enzovoort zijn de vormen van het persoonlijk voornaamwoord in de vierde naamval. Na für en een aantal andere voorzetsels staat het persoonlijk voornaamwoord in de vierde naamval.

Slide 12 - Slide

Das Geschenk ist für .....
A
ich
B
mich

Slide 13 - Quiz

Durch ..... habe ich vergessen.
A
ihn
B
er

Slide 14 - Quiz

Ohne ..... kann ich nicht leben!
A
du
B
dich

Slide 15 - Quiz

Grammatik
 Gemeinsam: Video Grammatik A + Aufgabe 20 bis 23 besprechen
Selbstständig machen: Paragraf E: Aufgabe 20 bis 23

Fertig =
  • Afmaken: Paragraf D: Lesen & Paragraf A, B, C verbeteren. 
  • Slim Stampen Paragraf B: Kies 2 & Invul 2
  • Slim Stampen: Paragraf D: Lesen


Slide 16 - Slide

Nächste Stunde
Grammatik: 
  • de voorzetsels met de vierde naamval

Slide 17 - Slide