Welk woord past erbij? Les 1, Thema 2 DISK 2022

Welk woord past erbij?

1 / 47
next
Slide 1: Slide
New lesson editorNT2ISK

This lesson contains 47 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min
Report this lesson

Items in this lesson

Welk woord past erbij?

Deze les is opgezet als inhoudsdeck voor een woordenschatquiz rond 'Bellen en mailen'. De interactie en meerkeuzevorm worden in een latere stap toegevoegd.

Lesdoel

Ik kan woorden over bellen en mailen herkennen en het juiste woord kiezen bij een korte uitleg.

This item has no instructions

Aan welke woorden denk je bij bellen en mailen?

Gebruik de woordwolk als korte start: laat leerlingen bekende woorden noemen uit school, post, telefoon of afspraken.

Zelfstandige naamwoorden

In deze les oefen je met woorden uit één thema.


Je koppelt een uitleg aan het juiste woord.


Let goed op het lidwoord: de of het.

Openingsslide voor de eerste inhoudelijke set woorden. Houd de focus op betekenis herkennen, niet op lange productieve zinnen.

de bezoeker

de bezoeker is iemand die bij je thuis komt of ergens komt kijken.


Voorbeeld:

  • Er komt vanmiddag een bezoeker.

  • De bezoeker belt aan.

Benadruk dat 'bezoeker' een persoon is, niet het bezoek zelf.

de achternaam

de achternaam is je familienaam.


Voorbeeld:

  • Mijn achternaam is De Vries.

  • Schrijf je achternaam op het formulier.

Veel NT2-leerlingen kennen ook 'familienaam'. Gebruik op de slides steeds consequent 'achternaam'.

de afspraak

de afspraak is wat je afspreekt, bijvoorbeeld bij de dokter of kapper.


  • Ik heb morgen een afspraak.

  • De afspraak is om tien uur.

Maak duidelijk dat het hier gaat om een geplande ontmoeting of tijd.

de brief

de brief is een tekst op papier die je per post stuurt.


  • Ik schrijf een brief.

  • De brief komt morgen aan.

Contrast kan mondeling worden genoemd: brief op papier, mail digitaal.

de datum

de datum is de aanduiding van een dag.


Voorbeeld:

  • Vandaag is de datum 3 september.

  • Zet de datum boven je brief.

Noem eventueel dat een datum uit dag, maand en soms jaar bestaat.

Welk woord past bij deze uitleg? Iemand die bij je thuis komt of ergens komt kijken.

A

de afspraak

B

de bezoeker

C

de brief

D

de dochter

Controleer of leerlingen het verschil zien tussen een persoon (de bezoeker) en een ding of situatie.

Welk woord past bij deze uitleg? Je familienaam.

A

de datum

B

de brief

C

de achternaam

D

de afspraak

This item has no instructions

Welk woord past bij deze uitleg? Wat je afspreekt, bijvoorbeeld bij de dokter of kapper.

A

de afspraak

B

de datum

C

de brief

D

de bezoeker

Plausibele fout is de datum, maar de afspraak gaat om de geplande ontmoeting of tijd.

Welk woord past bij deze uitleg? Een tekst op papier die je per post stuurt.

A

de achternaam

B

de afspraak

C

de brief

D

de datum

This item has no instructions

Welk woord past bij deze uitleg? De aanduiding van een dag.

A

de bezoeker

B

de brief

C

de datum

D

de afspraak

This item has no instructions

Personen en plaatsen

Sommige woorden gaan over mensen.

Andere woorden gaan over een plek of een gesprek.


Let op kleine verschillen in betekenis.

Overgang naar de tweede woordgroep. Bereid leerlingen voor op woorden die semantisch dicht bij elkaar kunnen liggen.

de dochter

de dochter is het kind van iemand; een meisje.


  • Hun dochter is acht jaar.

  • De dochter gaat naar school.

Kort benoemen dat 'dochter' alleen voor een meisje gebruikt wordt.

de dokter

de dokter is iemand die zieke mensen beter probeert te maken.


  • De dokter helpt mij.

  • Ik heb een afspraak bij de dokter.

Leg niet uit als beroep in detail; focus op de kernbetekenis uit de woordenlijst.

de gemeente

de gemeente is een stukje van Nederland.


  • Ik woon in de gemeente Utrecht.

  • Je vraagt informatie aan de gemeente.

Het woord kan ook de organisatie betekenen, maar blijf dicht bij de gegeven definitie. Eventueel mondeling beide koppelen.

het gesprek

het gesprek is wanneer twee of meer mensen met elkaar praten.


  • We hebben een gesprek.

  • Het gesprek duurt tien minuten.

Benadruk het lidwoord 'het', omdat veel andere woorden in deze set 'de' hebben.

de ochtend

de ochtend is het begin van de dag.


  • Ik bel in de ochtend.

  • De ochtend begint vroeg.

This item has no instructions

Welk woord past bij deze uitleg? Het kind van iemand; een meisje.

A

de dokter

B

de dochter

C

de bezoeker

D

de gemeente

This item has no instructions

Welk woord past bij deze uitleg? Iemand die zieke mensen beter probeert te maken.

A

de dochter

B

de dokter

C

de gemeente

D

het gesprek

This item has no instructions

Welk woord past bij deze uitleg? Een stukje van Nederland.

A

de ochtend

B

de gemeente

C

het gesprek

D

de plaats

De plaats is ook een plek, maar de definitie 'een stukje van Nederland' hoort alleen bij de gemeente.

Welk woord past bij deze uitleg? Wanneer twee of meer mensen met elkaar praten.

A

de dokter

B

de ochtend

C

de afspraak

D

het gesprek

Let op het lidwoord: het gesprek.

Welk woord past bij deze uitleg? Het begin van de dag.

A

de ochtend

B

de datum

C

de gemeente

D

de rest

This item has no instructions

Taken en plekken

In deze woorden gaat het om doen, zijn en begrijpen.


Let op:

  • een taak

  • een plek

  • een reden

Deze slide bundelt drie woordenvelden die in quizvragen makkelijk door elkaar gehaald kunnen worden.

de opdracht

de opdracht is de taak die je gaat doen.


  • Maak opdracht 3.

  • De docent geeft een opdracht.

Vergelijk mondeling eventueel met schooltaal: 'taak' en 'opdracht' liggen dicht bij elkaar.

de plaats

de plaats is een plek waar je kunt zijn.


  • Dit is een rustige plaats.

  • We zoeken een plaats voor de afspraak.

Niet uitbreiden naar grammaticale termen als 'plaats in de zin'. Alleen concrete betekenis gebruiken.

de reden

de reden is waarom je iets doet of waarom iets gebeurt.


  • Wat is de reden?

  • De reden is belangrijk.

Benadruk verschil met 'afspraak': reden = waarom, afspraak = wat/wanneer je afspreekt.

Welk woord past bij deze uitleg? De taak die je gaat doen.

A

de plaats

B

de opdracht

C

de reden

D

de regel

This item has no instructions

Welk woord past bij deze uitleg? Een plek waar je kunt zijn.

A

de afspraak

B

de gemeente

C

de plaats

D

de reden

De gemeente en de plaats gaan allebei over plek, maar alleen de plaats is 'een plek waar je kunt zijn'.

Welk woord past bij deze uitleg? Waarom je iets doet of waarom iets gebeurt.

A

de regel

B

de reden

C

de opdracht

D

de afspraak

Benadruk het verschil tussen reden = waarom en afspraak = wat/wanneer.

Regels en wat overblijft

Deze woorden gebruik je vaak op school en in formulieren.


Ze lijken eenvoudig, maar de betekenis moet precies zijn.

Overgang naar abstractere woorden die vaak in schoolcontext terugkomen.

de regel

de regel is wat je wel en niet mag doen.


  • Dit is een belangrijke regel.

  • Volg de regels op school.

Gebruik alleen de betekenis 'regel' als voorschrift, niet als lijn op papier.

de rest

de rest is wat er overblijft.


  • Drie mensen gaan weg; de rest blijft.

  • Eet jij de rest later op?

Veel leerlingen kennen dit woord al informeel; koppel het aan de precieze definitie 'wat overblijft'.

de sportdag

de sportdag is een dag waarop de hele school sport.


  • Vrijdag is de sportdag.

  • Op de sportdag doen we veel spellen.

Concreet schoolwoord dat goed werkt in quizvorm; laat eventueel de samenstelling horen: sport + dag.

het te-laat-briefje

het te-laat-briefje is een briefje voor als je te laat op school komt.


  • Ik geef het te-laat-briefje aan de docent.

  • Zonder te-laat-briefje moet je uitleg geven.

Benadruk opnieuw het lidwoord 'het'. De samenstelling helpt leerlingen de betekenis onthouden.

Woorden in zinnen

Je herkent het juiste woord beter als je let op:


  • persoon, plek of ding

  • school, thuis of post

  • de of het

Samenvattende inhoudsslide vóór de begrippenlijst. Geen activiteit benoemen.

Welk woord past bij deze uitleg? Wat je wel en niet mag doen.

A

de reden

B

de regel

C

de rest

D

de opdracht

This item has no instructions

Welk woord past bij deze uitleg? Wat er overblijft.

A

de rest

B

de regel

C

de plaats

D

de datum

This item has no instructions

Welk woord past bij deze uitleg? Een dag waarop de hele school sport.

A

de sportdag

B

de ochtend

C

de opdracht

D

de afspraak

This item has no instructions

Welk woord past bij deze uitleg? Een briefje voor als je te laat op school komt.

A

de brief

B

de datum

C

het gesprek

D

het te-laat-briefje

Laat leerlingen ook letten op het lidwoord: het te-laat-briefje.

Welk woord onthoud je nu het best?

Bespreek kort welk woord leerlingen het best onthouden hebben en waarom. Er zijn geen foute antwoorden.

Welk woord vond je het moeilijkst?

Laat leerlingen noemen welk woord of verschil nog moeilijk is, bijvoorbeeld afspraak/datum of gemeente/plaats.

Begrippenlijst

de bezoeker - iemand die bij je thuis komt of ergens komt kijken

de achternaam - je familienaam

de afspraak - wat je afspreekt, bijvoorbeeld bij de dokter of kapper

de brief - een tekst op papier die je per post stuurt

de datum - de aanduiding van een dag, bijvoorbeeld 3 september

de dochter - het kind van iemand; een meisje

de dokter - iemand die zieke mensen beter probeert te maken

This item has no instructions

Begrippenlijst

de gemeente - een stukje van Nederland

het gesprek - twee of meer mensen praten met elkaar

de ochtend - het begin van de dag

de opdracht - de taak die je gaat doen

de plaats - een plek waar je kunt zijn

de reden - waarom je iets doet of waarom iets gebeurt

de regel - wat je wel en niet mag doen

This item has no instructions

Begrippenlijst

de rest - wat er overblijft

de sportdag - een dag waarop de hele school sport

het te-laat-briefje - een briefje voor als je te laat op school komt

This item has no instructions