Welk woord past erbij?
Welk woord past erbij?
Deze les is opgezet als inhoudsdeck voor een woordenschatquiz rond 'Bellen en mailen'. De interactie en meerkeuzevorm worden in een latere stap toegevoegd.
Lesdoel
Ik kan woorden over bellen en mailen herkennen en het juiste woord kiezen bij een korte uitleg.
This item has no instructions
Aan welke woorden denk je bij bellen en mailen?
Gebruik de woordwolk als korte start: laat leerlingen bekende woorden noemen uit school, post, telefoon of afspraken.
Zelfstandige naamwoorden
In deze les oefen je met woorden uit één thema.
Je koppelt een uitleg aan het juiste woord.
Let goed op het lidwoord: de of het.
Openingsslide voor de eerste inhoudelijke set woorden. Houd de focus op betekenis herkennen, niet op lange productieve zinnen.
de bezoeker
de bezoeker is iemand die bij je thuis komt of ergens komt kijken.
Voorbeeld:
Er komt vanmiddag een bezoeker.
De bezoeker belt aan.
Benadruk dat 'bezoeker' een persoon is, niet het bezoek zelf.
de achternaam
de achternaam is je familienaam.
Voorbeeld:
Mijn achternaam is De Vries.
Schrijf je achternaam op het formulier.
Veel NT2-leerlingen kennen ook 'familienaam'. Gebruik op de slides steeds consequent 'achternaam'.
de afspraak
de afspraak is wat je afspreekt, bijvoorbeeld bij de dokter of kapper.
Ik heb morgen een afspraak.
De afspraak is om tien uur.
Maak duidelijk dat het hier gaat om een geplande ontmoeting of tijd.
de brief
de brief is een tekst op papier die je per post stuurt.
Ik schrijf een brief.
De brief komt morgen aan.
Contrast kan mondeling worden genoemd: brief op papier, mail digitaal.
de datum
de datum is de aanduiding van een dag.
Voorbeeld:
Vandaag is de datum 3 september.
Zet de datum boven je brief.
Noem eventueel dat een datum uit dag, maand en soms jaar bestaat.
Welk woord past bij deze uitleg? Iemand die bij je thuis komt of ergens komt kijken.
de afspraak
de bezoeker
de brief
de dochter
Controleer of leerlingen het verschil zien tussen een persoon (de bezoeker) en een ding of situatie.
Welk woord past bij deze uitleg? Je familienaam.
de datum
de brief
de achternaam
de afspraak
This item has no instructions
Welk woord past bij deze uitleg? Wat je afspreekt, bijvoorbeeld bij de dokter of kapper.
de afspraak
de datum
de brief
de bezoeker
Plausibele fout is de datum, maar de afspraak gaat om de geplande ontmoeting of tijd.
Welk woord past bij deze uitleg? Een tekst op papier die je per post stuurt.
de achternaam
de afspraak
de brief
de datum
This item has no instructions
Welk woord past bij deze uitleg? De aanduiding van een dag.
de bezoeker
de brief
de datum
de afspraak
This item has no instructions
Personen en plaatsen
Sommige woorden gaan over mensen.
Andere woorden gaan over een plek of een gesprek.
Let op kleine verschillen in betekenis.
Overgang naar de tweede woordgroep. Bereid leerlingen voor op woorden die semantisch dicht bij elkaar kunnen liggen.
de dochter
de dochter is het kind van iemand; een meisje.
Hun dochter is acht jaar.
De dochter gaat naar school.
Kort benoemen dat 'dochter' alleen voor een meisje gebruikt wordt.
de dokter
de dokter is iemand die zieke mensen beter probeert te maken.
De dokter helpt mij.
Ik heb een afspraak bij de dokter.
Leg niet uit als beroep in detail; focus op de kernbetekenis uit de woordenlijst.
de gemeente
de gemeente is een stukje van Nederland.
Ik woon in de gemeente Utrecht.
Je vraagt informatie aan de gemeente.
Het woord kan ook de organisatie betekenen, maar blijf dicht bij de gegeven definitie. Eventueel mondeling beide koppelen.
het gesprek
het gesprek is wanneer twee of meer mensen met elkaar praten.
We hebben een gesprek.
Het gesprek duurt tien minuten.
Benadruk het lidwoord 'het', omdat veel andere woorden in deze set 'de' hebben.
de ochtend
de ochtend is het begin van de dag.
Ik bel in de ochtend.
De ochtend begint vroeg.
This item has no instructions
Welk woord past bij deze uitleg? Het kind van iemand; een meisje.
de dokter
de dochter
de bezoeker
de gemeente
This item has no instructions
Welk woord past bij deze uitleg? Iemand die zieke mensen beter probeert te maken.
de dochter
de dokter
de gemeente
het gesprek
This item has no instructions
Welk woord past bij deze uitleg? Een stukje van Nederland.
de ochtend
de gemeente
het gesprek
de plaats
De plaats is ook een plek, maar de definitie 'een stukje van Nederland' hoort alleen bij de gemeente.
Welk woord past bij deze uitleg? Wanneer twee of meer mensen met elkaar praten.
de dokter
de ochtend
de afspraak
het gesprek
Let op het lidwoord: het gesprek.
Welk woord past bij deze uitleg? Het begin van de dag.
de ochtend
de datum
de gemeente
de rest
This item has no instructions
Taken en plekken
In deze woorden gaat het om doen, zijn en begrijpen.
Let op:
een taak
een plek
een reden
Deze slide bundelt drie woordenvelden die in quizvragen makkelijk door elkaar gehaald kunnen worden.
de opdracht
de opdracht is de taak die je gaat doen.
Maak opdracht 3.
De docent geeft een opdracht.
Vergelijk mondeling eventueel met schooltaal: 'taak' en 'opdracht' liggen dicht bij elkaar.
de plaats
de plaats is een plek waar je kunt zijn.
Dit is een rustige plaats.
We zoeken een plaats voor de afspraak.
Niet uitbreiden naar grammaticale termen als 'plaats in de zin'. Alleen concrete betekenis gebruiken.
de reden
de reden is waarom je iets doet of waarom iets gebeurt.
Wat is de reden?
De reden is belangrijk.
Benadruk verschil met 'afspraak': reden = waarom, afspraak = wat/wanneer je afspreekt.
Welk woord past bij deze uitleg? De taak die je gaat doen.
de plaats
de opdracht
de reden
de regel
This item has no instructions
Welk woord past bij deze uitleg? Een plek waar je kunt zijn.
de afspraak
de gemeente
de plaats
de reden
De gemeente en de plaats gaan allebei over plek, maar alleen de plaats is 'een plek waar je kunt zijn'.
Welk woord past bij deze uitleg? Waarom je iets doet of waarom iets gebeurt.
de regel
de reden
de opdracht
de afspraak
Benadruk het verschil tussen reden = waarom en afspraak = wat/wanneer.
Regels en wat overblijft
Deze woorden gebruik je vaak op school en in formulieren.
Ze lijken eenvoudig, maar de betekenis moet precies zijn.
Overgang naar abstractere woorden die vaak in schoolcontext terugkomen.
de regel
de regel is wat je wel en niet mag doen.
Dit is een belangrijke regel.
Volg de regels op school.
Gebruik alleen de betekenis 'regel' als voorschrift, niet als lijn op papier.
de rest
de rest is wat er overblijft.
Drie mensen gaan weg; de rest blijft.
Eet jij de rest later op?
Veel leerlingen kennen dit woord al informeel; koppel het aan de precieze definitie 'wat overblijft'.
de sportdag
de sportdag is een dag waarop de hele school sport.
Vrijdag is de sportdag.
Op de sportdag doen we veel spellen.
Concreet schoolwoord dat goed werkt in quizvorm; laat eventueel de samenstelling horen: sport + dag.
het te-laat-briefje
het te-laat-briefje is een briefje voor als je te laat op school komt.
Ik geef het te-laat-briefje aan de docent.
Zonder te-laat-briefje moet je uitleg geven.
Benadruk opnieuw het lidwoord 'het'. De samenstelling helpt leerlingen de betekenis onthouden.
Woorden in zinnen
Je herkent het juiste woord beter als je let op:
persoon, plek of ding
school, thuis of post
de of het
Samenvattende inhoudsslide vóór de begrippenlijst. Geen activiteit benoemen.
Welk woord past bij deze uitleg? Wat je wel en niet mag doen.
de reden
de regel
de rest
de opdracht
This item has no instructions
Welk woord past bij deze uitleg? Wat er overblijft.
de rest
de regel
de plaats
de datum
This item has no instructions
Welk woord past bij deze uitleg? Een dag waarop de hele school sport.
de sportdag
de ochtend
de opdracht
de afspraak
This item has no instructions
Welk woord past bij deze uitleg? Een briefje voor als je te laat op school komt.
de brief
de datum
het gesprek
het te-laat-briefje
Laat leerlingen ook letten op het lidwoord: het te-laat-briefje.
Welk woord onthoud je nu het best?
Bespreek kort welk woord leerlingen het best onthouden hebben en waarom. Er zijn geen foute antwoorden.
Welk woord vond je het moeilijkst?
Laat leerlingen noemen welk woord of verschil nog moeilijk is, bijvoorbeeld afspraak/datum of gemeente/plaats.
Begrippenlijst
de bezoeker - iemand die bij je thuis komt of ergens komt kijken
de achternaam - je familienaam
de afspraak - wat je afspreekt, bijvoorbeeld bij de dokter of kapper
de brief - een tekst op papier die je per post stuurt
de datum - de aanduiding van een dag, bijvoorbeeld 3 september
de dochter - het kind van iemand; een meisje
de dokter - iemand die zieke mensen beter probeert te maken
This item has no instructions
Begrippenlijst
de gemeente - een stukje van Nederland
het gesprek - twee of meer mensen praten met elkaar
de ochtend - het begin van de dag
de opdracht - de taak die je gaat doen
de plaats - een plek waar je kunt zijn
de reden - waarom je iets doet of waarom iets gebeurt
de regel - wat je wel en niet mag doen
This item has no instructions
Begrippenlijst
de rest - wat er overblijft
de sportdag - een dag waarop de hele school sport
het te-laat-briefje - een briefje voor als je te laat op school komt
This item has no instructions