hst 4 rekenen aan reacties 3 havo

hst 4  energie-effecten en rekenen aan reacties
  • uitleg energieomzettingen 
  • wat is chemische energie
  • rendement
  • activeringsenergie
  • endo- en exotherme processen en reacties
  • Hw: Maken 1 t/m 7 (incl nakijken en verbeteren) geo +potloden + schrift nodig de komende tijd


schrift nodig!



In de les maken we samen opg 10 en 11 (geo/liniaal en potlood nodig) en beginnen we met 4.2
toets hst 3 is do 9 april!
1 / 81
next
Slide 1: Slide
ScheikundeMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

This lesson contains 81 slides, with interactive quizzes, text slides and 6 videos.

Report this lesson

Items in this lesson

hst 4  energie-effecten en rekenen aan reacties
  • uitleg energieomzettingen 
  • wat is chemische energie
  • rendement
  • activeringsenergie
  • endo- en exotherme processen en reacties
  • Hw: Maken 1 t/m 7 (incl nakijken en verbeteren) geo +potloden + schrift nodig de komende tijd


schrift nodig!



In de les maken we samen opg 10 en 11 (geo/liniaal en potlood nodig) en beginnen we met 4.2
toets hst 3 is do 9 april!

Slide 1 - Slide

Energie bestaat in verschillende vormen!  
  • soorten Energie (E): b.v. licht, warmte, geluid, elektriciteit, beweging en chemische energie.
  • Chemische E = Energie die opgeslagen is in moleculen van stoffen. 
  • Bijvoorbeeld in de bindingen tussen de atoomkernen en
     elektronen van de atomen in een molecuul. 
  • Om die bindingen te verbreken is E nodig, maar nieuw gevormde
    bindingen bevatten ook Energie want: 
    energie gaat nooit verloren =WET VAN BEHOUD VAN ENERGIE
  • Energie kan worden omgezet in een andere vorm zoals hier:
     chemische energie-> licht + warmte + geluid











e

Slide 2 - Slide

rendement=EtotaalEnuttig100
%
Energieschema's + rendement (percentage nuttig Energie)
  • bij energie omzettingen is het rendement nooit 100%
  •  De lamp heeft elektriciteit nodig dat is de energie die je erin stopt = E totaal. De lamp moet licht geven, dat is de nuttige Energie
  • Er komt echter ook veel warmte vrij, dat is het energieverlies.
  • rendement bereken je zo: 

Slide 3 - Slide

Activeringsenergie =  energie nodig om reactie te starten en ....... door te laten gaan
  •  verbranding: brandstof + zuurstof --> eindproduct(en) (oxides)
     
  • MAAR...........alleen beginstoffen is niet genoeg om een verbrandingsreactie te starten.   De ontbrandingstemperatuur levert de activeringsenergie
     
  • Pas als die bereikt wordt kan het lont gaan branden!
  • Niet alleen warmte maar ook zonlicht kan soms genoeg  activeringsenergie leveren om een reactie te laten starten(Koel en donker bewaren staat er dan op)
  • Bij sommige explosieve stoffen levert een klein stootje  al genoeg activeringsenergie (nitroglycerine in dynamiet)

Slide 4 - Slide

Endotherme reacties: 
Er is continu energie nodig (om de reactie op gang te brengen) en
reactie door te laten gaan.
Energieniveau eindproducten = hoger dan van beginstoffen
Dit geldt voor de meeste ontledingsreacties.

Exotherme reactie: 
Als de reactie door de activerings E eenmaal op gang is gekomen gaat hij door,  tot één van de beginstoffen op is
én er hier komt altijd E bij vrij in vorm van: licht, warmte, geluid -> Energieniveau eindproducten = lager dan van beginstoffen
Bijv. verbrandingsreacties.


Je kunt chemische reacties verdelen in
     Exotherme reacties        en       Endotherme 
Faseovergangen zijn endo- of exotherme processen
Voor rode fase-overgangen is warmte nodig, bij blauwe komt warmte 


fig 6a
fig 6b

Slide 5 - Slide

Exotherme reactie (b.v. alle verbrandingsreacties), er komt energie bij vrij ->Totale E eindproducten kleiner dan totale E beginstoffen.
  • reagentia (=beginstoffen) reageren met elkaar b.v. als de ontbrandingstemperatuur bereikt wordt = activerings E
  • daarna gaat de reactie vanzelf door en er komt E vrij (warmte, licht etc) 
  • dus de totale E van eindproducten is lager dan die van de reagentia      E < 0J
  • ontledingsreactie van waterstofperoxide is wel exotherm want verloopt "spontaan" (=reactie temp ligt onder omgevingstemp) 
Δ
fig 6a

Slide 6 - Slide

Endotherme reactie:  er is continu Energie nodig
 totale E van eindproducten= groter dan totale E van beginstoffen 
  • Verschil in E niveau noem je delta       E
  (     E = E producten -E reagerende stoffen,
  •  bij endotherme reacties geldt:      E> 0 J)
  • dus E eindproducten > E reagentia 
  • de meeste ontledingsreacties zijn endotherm (er moet continu energie ingestopt worden anders stopt de reactie).  
  • Uitzondering is b.v. de spontane ontleding
    van waterstofperoxide
    (die is exotherm zie vorige slide)
Δ
Δ
Δ
fig 6b

Slide 7 - Slide

Aan de slag: 
hw: leren en maken 4.1 : 1 t/m 9,  inclusief nakijken én verbeteren

Slide 8 - Slide

programma les 3  
  • vragen hw?
  • chromebook drag en drop opdracht: ben je in staat om endo/exotherme reactie te herkennen?
  • groepjes van 2 antwoorden vergelijken en uitleg aan elkaar geven
  • als groepje kies je de beste antwoorden
  • uitleg op bord
  • energiediagram tekenen bij opdr op bord
  • meedoen met bespreken hw of alvast lezen 4.2 en maken 1  t/m 6

Slide 9 - Slide

noteer (per voorbeeld) in 1 zin je uitleg in je schrift
Een vuurvliegje kun je in de avond zien gloeien. 
De elektrolyse van natriumchloride

Als je van een warmtepleister de sticker afhaalt wordt hij binnen een paar seconden warm.
De productie van glucose uit water en licht via fotosynthese

Slide 10 - Drag question

antwoorden met uitleg
endotherm
exotherm
Een vuurvliegje kun je in de avond zien gloeien: want er komt E vrij in de vorm van licht
De elektrolyse van natriumchloride: want er is continu elektrische E nodig

Als je van een warmtepleister de sticker afhaalt wordt hij binnen een paar seconden warm:want er komt E vrij in de vorm van warmte
De productie van glucose uit water en licht via fotosynthese: want er is continu E nodig in de vorm van licht

Slide 11 - Drag question

Aan de slag: 
Teken nu zelf in je schrift het energiediagram van het bakken van een ei, hierbij verandert vloeibaar kleurloos eiwit in vast wit eiwit.

Daarna of verder werken:
- lezen 4.2 en maken 1 t/m 5
- of meedoen met bespreken moeilijke
opdrachten hw
- laatste 2 min exit ticket

Slide 12 - Slide

Ik kan een endo- en exotherme reactie herkennen aan de grafiek
😒🙁😐🙂😃

Slide 13 - Poll

Ik kan het verschil tussen endo- en exotherm uitleggen
😒🙁😐🙂😃

Slide 14 - Poll

Slide 15 - Video

Slide 16 - Video

par 4.2: reactiesnelheid
  • factoren die reactiesnelheid beinvloeden  
  • botsende deeltjes model
  • effectieve botsingen (oude bindingen verbroken, nieuwe bindingen gemaakt)

Slide 17 - Slide

Botsende deeltjesmodel
links een effectieve botsing, er ontstaan nieuwe stoffen.

rechts: een niet effectieve botsing, de deeltjes raken elkaar verkeerd -> er ontstaan geen nieuwe stoffen .
  • Alle moleculen bewegen altijd.
  • Om een chemische reactie te starten moeten moleculen van de beginstof(fen) hard genoeg (=juiste snelheid) en
    effectief (= vanuit de juiste richting) met elkaar botsen
  • Alleen dan kunnen er nieuwe moleculen worden gevormd

Slide 18 - Slide

Manieren om reactiesnelheid (= aantal effectieve botsingen) te vergroten
  1. hogere temp: zorgt voor grotere snelheid deeltjes dus meer botsingen, dus ook meer effectieve botsingen
  2. sterkere concentratie (meer g/l) meer deeltjes in een mengsel dus meer kans kans op (effectieve) botsingen
  3. grotere verdelingsgraad (= hoe veel contactoppervlakte er is) een fijngestampte tablet kan op meer plekken in contact komen dan de hele tablet

Slide 19 - Slide

reactiesnelheid (= aantal effectieve botsingen) vergroten
door een katalysator toe te voegen
Je kunt ook een katalysator toevoegen om de reactie te versnellen. Dit is een hulpstof die eerst hecht aan stof A waardoor stof A makkelijk aan stof B kan hechten, zo gauw dat gebeurt laat de katalysator los en kan andere moleculen van stof A met stof B op de juiste manier verbinden. 
De katalysator wordt niet verbruikt en zet je dus niet in het reactieschema
Alle enzymen zijn katalysatoren

Slide 20 - Slide

programma 7 mei
  • vragen hw?
  • kort herhalen 4.2 met filmpje
  • bespreken gevraagde opdrachten  4.2/ verder werken aan 4.3 (let op we rekenen nog steeds niet met mol en gebruiken de theorie van 3.4  maken opg 1,2,5,6,

Slide 21 - Slide

Slide 22 - Video

Het effect van een katalysator
  • Een katalysator verlaagt de activeringsenergie
  • Daardoor komt de reactie sneller op gang
  • Hiernaast zie je de verbranding van glucose zonder katalysator in het rood en met katalysator in het blauw

Slide 23 - Slide

Aan de slag: 
hw:Leren 4.1 + 4.2 , herhalen theorie rekenen aan reacties (zie classroom)

Maken: 4.3 opg 1,2, 5 en 6
of meedoen met bespreken hw

Slide 24 - Slide

Slide 25 - Video

programma 11 mei
  • vragen hw?
  • oefenen met endo en exotherme reacties, opstellen RV en kloppend maken met behulp van proef uit filmpje op een inleverblad
  • bespreken hw en/of verder werken aan rest van 4.3

Slide 26 - Slide

Reactie 1, de ontleding van kaliumchloraat, 
zorgt voor een nieuwe reactie met de
winegum (=reactie 2)
Noteer deze vragen bij de proef:
  1. is de ontleding van kaliumchloraat endo- of exotherm? Leg uit.
  2. welke reactieverschijnselen neem je waar bij reactie 2?
  3. is de reactie met de winegum/gummibeer endo- of exotherm? Leg uit.
  4. Geef van beide reacties reactieschema, kloppende reactievergelijkingen en het energiediagram


Don't try this at home: kaliumchloraat met winegums
Maak op je inleverblad

Slide 27 - Slide

1

Slide 28 - Video

Proef: kaliumchloraat met gummibeer
  1. Reactie 1: Bij de ontleding van kaliumchloraat KClO3(s) ontstaat
     zuurstof en kaliumchloride KCl(l). Is de reactie endo- of exotherm
  2. antwoord:
  3. Dit is een endotherme reactie, je moet  er continu energie aan 
    toevoeren met de vlam (de ontleding gebeurt bij 400 C 
  4. Geef het reactieschema in woorden: 1 min. 
  5. Antwoord:
  6. kaliumchloraat--> kaliumchloride + zuurstof
  7. Geef nu de kloppende reactievergelijking: 2 min.
  8. antwoord:
  9.  2 KClO3--> 2 KCl + 3 O2

Slide 29 - Slide

00:00
Na ongeveer een halve minuut is het kaliumchloraat (KClO3) gesmolten en gaat ontleden tot zuurstof en kaliumchloride, is de reactie endo- of exotherm, leg uit (1 min)

Slide 30 - Open question

Proef: kaliumchloraat met gummibeer reactie 2
  1. Reactie 2 Ga er vanuit dat de hoeveelheid zuurstof die vrijkwam
     bij reactie 1  dat de glucose C6H12O6(s)(uit de gummibeer)
     
    volledig verbrandt, waarbij koolstofdioxide en waterdamp ontstaan.
    Is deze reactie endo- of exotherm, leg uit (1 minuut)
  2. Antwoord:
  3. Dit is een exotherme reactie want je er komt Energie vrij in de vorm van warmte, licht en geluid.
  4. Geef het reactieschema in woorden: 1 minuut
  5. antwoord: 
  6. glucose + zuurstof -> koolstofdioxide + water 
  7. Geef de reactievergelijking (kloppend) 2 minuten
  8. antwoord:
  9. C6H12O6(s)+ 6 O2(g)-> 6 CO2(g)+ 6 H2O(l)

Slide 31 - Slide

Teken het energiediagram van beide reacties (5 min)

  1. teken de tijd horizontaal en noteer de eenheid (meestal min.)
  2. teken de energie vertikaal (in Joule)
  3. noteer de beginstoffen links van de heuvel
    van de activeringsenergie
  4. noteer de eindstoffen rechts van de
    heuvel van de activeringsenergie
  5. geef de activeringsenergie aan
  6. Geef delta E aan 
  7. Dit zou dan het energiediagram zijn van 
    de verbranding van glucose

Slide 32 - Slide

Aan de slag:
met hw volgende week maandag:
 afmaken van 4.3 opg 7 t/m 10 volgens de rekenregels die je bij 3.4 geleerd hebt dus:
1) kloppende reactievergelijking opstellen
2) massaverhoudingen berekenen 
3) gegeven gevraagd invullen 
Lever je blad in en noteer 1 onderwerp
waar jij graag nog uitleg over wil 

Slide 33 - Slide

programma 18 mei
  • vragen hw?
  • bespreken moeilijke opdrachten 4.3 (opg 7 t/m 10 )

  • maar eerst..... herhaling stappenplan rekenen aan reacties


Lesstof toetsweek: 
hst 3 (zonder mol) hst 4.1 t/m 4.3 (zonder mol) hst 5.1, 5.2 en 5.4

Slide 34 - Slide

par 4.3 (vervangen door 3.4 ) rekenen aan massa's
(overmaat/ondermaat maar zonder mol en molariteit) 
  • wet van behoud van massa,(massa gaat nooit verloren!)
  • ondermaat,
  • overmaat, 

Slide 35 - Slide

Als bekend is dat 3 g koolstof reageert met 8 g zuurstof, hoeveel g zuurstof heb je dan nodig om 6,4 g koolstof te verbranden?
Wat gebeurt er met deze reactie als er minder zuurstof aanwezig is dan je zojuist berekend hebt? En wat als er meer zuurstof aanwezig is?
timer
5:00

Slide 36 - Open question

Slide 37 - Slide


Standaard stappenplan
  1. kloppende reactievergelijking 
  2.  bereken massaverhouding waarin stoffen met elkaar reageren (of met behulp van een gegeven verhouding uit de tekst, of door de verhouding van de molecuulmassa's te berekenen)
  3. vul gegevens in verhoudingstabel in en bereken je onbekende of  met kruislingsvermenigvuldigen z.o.z.
Herhaling "Wet van behoud van massa"(Massa gaat nooit verloren)

Hoeveel magnesium is er dan nodig om 10 g magnesiumoxide te maken?

Slide 38 - Slide

  1. Reactievergelijking:     RV:2 Mg(s) + O2(g)--> 2 MgO(s)
  2. Massaverhouding:        MV:  9 g     +    8 g   ---> 17 g
  3. Gegeven gevraagd:       GG:      ?       +   O2(g) --> 10 g
  4. Oplossing:                         opl:       Mg x 17 g = 9 g x 10 g
                                                     dus     Mg = 90 g     = 5,29411 g         5 g
                                                                                17
  5. Controle:      5,29 x 17 = 9x 10   = 90 klopt!                      
Hoeveel magnesium nodig om 10 g magnesiumoxide te maken?

(Als gegeven is dat 9 g magnesium reageert met 8 g zuurstof tot 17 magnesiumoxide) 

Slide 39 - Slide

overmaat en ondermaat in de praktijk
bij verbrandingsreacties
  • ondermaat: stof waarvan te weinig is (b.v. brandstof op dan stopt verbranding)
  • overmaat, van deze stof is er teveel bij verbranden meestal zuurstof
    dat is immers in de hele ruimte aanwezig.
  • Tip: zoek eerst uit welke stof in ondermaat is, dit is de stof die opgaat dus als je daar mee verder rekent dan weet je hoeveel
    van de andere stof daarvoor nodig is. 

Slide 40 - Slide

RV: Reactievergelijking
2  Zn
O2 
-->
2 ZnO
MV: Massaverhoudingen (in u)
65,4x2= 130,8
32,00
162,8
GG: Gegeven Gevraagd
150 g ?(is teveel dus A)
30 g?
153 g

 


dus 
Rekenen met overmaat!!
Gegeven je laat 150 g zink reageren met 30 g zuurstof.
Welke stof is in overmaat ? Hoeveel gram is de overmaat,  en hoeveel eindproduct ontstaat?
 
De massa zou 130,8: 32,00 = 4,1 : 1,0 moeten zijn volgens massaverhouding maar is met gegeven massa's 5: 1 dus O2  is in ondermaat. Dat betekent dat O2 bepaalt hoeveel Zn er kan verbranden en Zn is dus in overmaat
Dus A x 32,00 u = 130,8 u x 30 g --> A = 122, 6 g Zn reageert  Er is 150 - 122,6 = 27,4 g Zn teveel -->  overmaat Zn is afgerond--> 27 g Zn (2 cijfers significant ivm 30 g).
Er kan dus 122,6+ 30=152,6 =  afgerond 153 g Zinkoxide ontstaan.

Slide 41 - Slide

Aan de slag:
met hw volgende week maandag:
Leren hst 4 (Molariteit niet) en maken van blz 60 en 61 opg 1 t/m 3c

Slide 42 - Slide

oefenopdrachten 
  1. Je gaat 15 g water ontleden, hoeveel gram waterstof ontstaat er bij deze reactie?
  2. Je verbrandt 5 g koolstof volledig, hoeveel zuurstof is daarvoor nodig? En hoeveel reactieproduct ontstaat er? 
  3.  Je verbrandt 5 g koolstof en er is 8 g zuurstof aanwezig, hoeveel reactieproduct ontstaat er? 











 Je verbrandt 5 g koolstof en er is 8 g zuurstof aanwezig, hoeveel reactieproduct ontstaat er? 



Slide 43 - Slide

uitwerkingen rekenen aan massa opd 1 
  1.  gevr: Bereken hoeveel waterstof (H2 zit in Brenda regel) ontstaat
  2. geg:15 gram water ontleden (H2O dus behalve waterstof ontstaat er zuurstof).
  3. opl: stap 1) stel de kloppende RV op: 2 H2O(l) →2 H2(g) + O2 (g
           stap 2) bereken de moleculaire massa’s en massaverhouding MV:
    2 H2O m = 2 (1,008x2 + 16,00) = 36,032 u,  2 H2 m = 2( 1,008x2) = 4,032 u en
    O2 m = 16,00x2 = 32,00 u.  (massa voor = gelijk aan totale massa, dus het klopt )
    stap 3) bereken gevraagde massa door GG (gegeven/gevraagd) met verhoudingstabel
  4. Er ontstaat 1,7 g waterstof





A x 36,032 u = 15 x 4,032 u-> A = (15 x 4,032)/36,032 = 1,67850…g ≈ 1,7 gram 
dus er ontstaat 1,7 g waterstof (afrond 2 decimalen ivm 15 g was minst significant)

(Je kunt nu dus ook berekenen hoeveel zuurstof er ontstaat nl 15 -1,7 = 13,3 g)



(zie uitwerking in plaatje)

Slide 44 - Slide

uitwerkingen rekenen aan massa opd 2 
  1. gevr: Bereken hoeveel zuurstof nodig en hoeveel reactieproduct ontstaat
  2. geg: 5 gram koolstof volledig verbranden ( dus er ontstaat CO2 )
  3. opl: stap 1) stel de kloppende RV op: C(s) + O2 (g)→CO2(g)
          stap 2) bereken de moleculaire massa’s en massaverhouding MV:
     C m = 1x 12,011 = 12,011,  O2 m = 16,00x2 = 32,00  en  CO2 m = 12,011 + 2x 16,00 = 44,011 u (Totale massa voor = gelijk aan totale massa na dus  klopt )

    stap 3) bereken gevraagde massa door GG (gegeven/gevraagd) met verhoudingstabel
  4. dus er is 13 g zuurstof nodig en er ontstaat dan 5 + 13 = 18 g CO2 





A x 36,032 u = 15 x 4,032 u-> A = (15 x 4,032)/36,032 = 1,67850…g ≈ 1,7 gram 
dus er ontstaat 1,7 g waterstof (afrond 2 decimalen ivm 15 g was minst significant)

(Je kunt nu dus ook berekenen hoeveel zuurstof er ontstaat nl 15 -1,7 = 13,3 g)



(zie uitwerking in plaatje)

Slide 45 - Slide

uitwerkingen rekenen aan massa opd 3  
  1. gevr: Bereken hoeveel reactieproduct ontstaat bij verbranding van 5 g kooldtof als er 8 g zuurstof is (ga uit van volledig tenzij anders vermeld). 
  2. geg: 5 gram koolstof volledig verbranden bij opg 2 heb je al berekend dat daar 13 g zuurstof voor nodig is, als er maar 8 g zuurstof is dan weet je dus dat niet alle koolstof verbrandt en dit dus in overmaat aanwezig is. Dus alle zuurstof gaat op !!
  3. opl: stap 1) stel de kloppende RV op: C(s) + O2 (g)→CO2(g) 
      stap 2) gebruik moleculaire massa’s en massaverhouding MV uit opg 2 : 
      stap 3) bereken gevraagde massa door GG (gegeven/gevraagd) met verhoudingstabel
  4. Dus : 3 g koolstof + 8 g zuurstof verbruikt → na reactie is 11 g CO2 ontstaan
    (Er was dus 5-3 = 2 g koolstof in overmaat en na de reactie is dus 11 g CO2+ 2 g C over)





A x 36,032 u = 15 x 4,032 u-> A = (15 x 4,032)/36,032 = 1,67850…g ≈ 1,7 gram 
dus er ontstaat 1,7 g waterstof (afrond 2 decimalen ivm 15 g was minst significant)

(Je kunt nu dus ook berekenen hoeveel zuurstof er ontstaat nl 15 -1,7 = 13,3 g)



(zie uitwerking in plaatje)

Slide 46 - Slide

Welke stof is in overmaat in gram en in mol?
Als je 150 g zink laat reageren met 30 g zuurstof.
Algemene stappenplan:
  1. noteer kloppende reactievergelijking (RV) en bepaal molverhoudingen    
  2. bereken de molaire massa's en de molaire massaverhoudingen
  3. noteer gegeven massa's en bereken de verhouding van deze massa's
  4. vergelijk dit met de molverhoudingen dit moet dezelfde verhouding zijn
    als dit niet zo is dan reken je verder met de stof die in ondermaat is
  5. bereken het aantal mol dat reageert van de stof die opgaat = ondermaat
    met behulp van n=     --> het aantal mol van stof in ondermaat
                                   
  6. met behulp van de molverhoudingen uit  RV bereken je het aantal mol van stof  in overmaat
  7. -> aantal mol dat opgaat van de stof in overmaat, bereken daarmee massa van overmaat

Slide 47 - Slide

Reactievergelijking
2  Zn
O2 
->
2 ZnO
Molverhouding
2
1
2
Molairemassa(M in g/mol)
65,38 
32,00
81,38
Molairemassa verhouding
2,04
1,0
Gegeven massa's
150 g ?( = 123 g zie onder)
30 g?
153 g
verhouding massa's
5 te veel-> zuurstof ondermaat
1
n= aantal mol
(bij deze hoeveelheden)
berekenen met n=m/M
n=2,29 mol maar teveel ->  bereken eerst n O2
dus 2 x0,94 =1,88 molZn
n=30 /32
= 0,94 mol
2x0.94

1,88 mol
O2  in ondermaat -> O2 bepaalt de reactie.  n O2 =m/M-> n=30 g: 32 g/mol= 0,94 mol O2 
Mol verhouding Zn: O2 = 2:1->  n Zn= 2x 0,94 = 1,88 mol zink (en er ontstaat 1,88 mol  ZnO)  Dus 2,29 -1,88 = 0,41 mol Zn in overmaat  dus 0,41 x 65,38 = 26,8 g-> 27g Zn teveel 
(2 cijfers significant ivm 30 g) dus 150-27 =123 g verbruikt (ontstaat zinkoxide= 123+ 30= 153 g)

Slide 48 - Slide

RV
2  Mg
O2 
->
2 MgO
Molverh
2
1
2
(in g/mol)
24,31 
32,00
40,31
Gegeven Gevraagd
3 g
B
A
n= aantal mol 
n= 3/24,31= 0,1234 mol
n=1/2 x 0,12343 =0,0617 mol
n= 0,1234mol

 


dus 
Hoeveel gram magnesiumoxide ontstaat ? Als 3 g Mg verbrandt met overmaat zuurstof
Mg:MgO =2: 2 => als er n =m/M  =3/24,31= 0,1234 mol Mg verbrandt dan ontstaat er ook 0,1234mol MgO. Massa MgO is m= n.M = 0,1234 mol x 40,31 = 4,974 g
  (1 cijfers significant ivm 3 g) --> er ontstaat 5 g MgO.
controle: het aantal mol zuurstof verbruikt is de helft van Mg dus 0,0617 mol dat zou betekenen m= n.M =0,0617 . 32,00= 1,9744 g oftewel 2 g. Dus 3g + 2g--> 5 g het klopt!!

Slide 49 - Slide

Heb je nog moeite met het rekenen met massaverhoudingen en overmaat? 

Bekijk de volgende video's thuis!

Slide 50 - Slide

Slide 51 - Video

par 4: belangrijke productieprocessen
  • vragen hw? productieprocessen worden vaak weergegeven in blokschema's,
  • die lees je van links naar rechts,
  • bekijk goed of pijlen in of uit een blok gaan,
  • staan er na een blok nieuwe stoffen en zijn oude stoffen verdwenen?
    dan was er sprake van een chemische reactie, 
  • was er geen reactie dan werden er mengsels gevormd of gescheiden

Slide 52 - Slide

koper uit chalcopyriet = kopererts (CuFeS2) halen is een duur proces
  • chalcopyriet CuFeS2

Slide 53 - Slide

Bereiding aluminium uit aluminiumerts(=bauxiet)
  • aluminium heeft een kleine dichtheid en toch redelijk sterk --> veel toegepast
  • het erts bauxiet  bevat +_ 50 % aluminiumoxide (rest= ander gesteente)
  • dat laat je smelten zodat je het via elektrolyse kunt ontleden in vloeibaar aluminum (wordt afgetapt bij de - kant) en zuurstof (dat ontstaat aan de + kant en dat reageert met de C van de + pool tot CO2)

Slide 54 - Slide

blokschema: van bauxiet tot aluminiumoxide (moet je kunnen lezen en begrijpen)
Lees van links naar rechts, kijk goed wat er in gaat en wat er uit komt.

Slide 55 - Slide

Rekenen met molariteit [A]
  • In fabrieken en laboratoria wordt vaak gewerkt met oplossingen. 
  • Je weet al dat de concentratie de reactiesnelheid kan beïnvloeden 
  • De concentratie kun je nu op twee manieren berekenen
    1: 

    2:

concentratie = m opgeloste stof       in g/L
                          V oplossing 
 [A] = n                  [A] is molariteit van deeltje A in mol/L
          V                 n = de hoeveelheid opgeloste stof in mol
                             V = volume van oplossing in L 

Slide 56 - Slide

welke factoren beïnvloeden de reactiesnelheid
A
de concentratie van de reactant
B
aanwezigheid van katalysator
C
verlaging van de temperatuur
D
de verdelingsgraad

Slide 57 - Quiz

Je hebt gisteren van de sleutel een soort "foto" gemaakt
Welk type reactie was dit?
A
Thermolyse
B
Verbranding
C
Elektrolyse
D
Fotolyse

Slide 58 - Quiz

Wat is een ontledingsreactie?
A
Een reactie met zuurstof
B
Reactie met één beginstof en meerdere reactieproducten
C
Een reactie waarbij een explosie ontstaat
D
Reactie met meerdere beginstoffen en één reactieproduct

Slide 59 - Quiz

Welke van de volgende reacties is een ontledingsreactie?
A
Water --> Waterstof + Zuurstof
B
koolstof + zuurstof --> koolstofdioxide
C
Koper+ Zuurstof --> Koperoxide
D
Zwaveldioxide + water --> Zwavelzuur

Slide 60 - Quiz

Wat verandert er bij reacties?
A
Kleur
B
Vlammen
C
Fase (vast, vloeistof of gas)
D
Stofeigenschappen

Slide 61 - Quiz

Wat is het verschil tussen een endotherme en exotherme reactie?
A
Bij endotherme reacties gaat er warmte in en bij exotherme warmte uit
B
Bij endotherme reacties gaat er warmte uit en bij exotherme warmte in
C
Bij endotherme reacties gaat er energie in en bij exotherme energie uit
D
Bij endotherme reacties gaat er energie uit en bij exotherme energie in

Slide 62 - Quiz

Is de faseovergang van gas naar vloeistof een exotherm of endotherm proces?
A
exotherm
B
endotherm

Slide 63 - Quiz

Als het energieverschil tussen beginstof(fen) en reactant(en)positief is, dan is de reactie....

A
exotherm
B
endotherm

Slide 64 - Quiz

Welke soort chemische reactie is het ontleden van suiker?
A
Endotherm
B
Exotherm

Slide 65 - Quiz

Welke soort chemische reactie is het verbranden van suiker?
A
Endotherm
B
Exotherm

Slide 66 - Quiz

Welke soort chemische reactie is het ontleden van water?
A
Endotherm
B
Exotherm

Slide 67 - Quiz

Welke soort chemische reactie is het verbranden van hout
A
Endotherm
B
Exotherm

Slide 68 - Quiz

Wat kun je zeggen over het smelten van boter?
A
het is een exotherm proces
B
het is een endotherm proces
C
het is een exotherme reactie
D
de reactie-energie verandert niet

Slide 69 - Quiz

Op t = 0 wordt stof A met stof B gemengd. Er treedt een chemische reactie op.

Tijdens en na het mengen wordt de temperatuur gemeten.

De reactie van A met B is ...
A
endotherm
B
exotherm

Slide 70 - Quiz

Op t = 0 wordt citroenzuur met soda gemengd.
Er treedt een chemische reactie op.

Tijdens en na het mengen wordt de temperatuur gemeten.

De reactie is ...
A
endotherm
B
exotherm

Slide 71 - Quiz

Van welk type is de reactie
A + B -> C
A
vormingsreactie
B
ontledingsreactie
C
verbranding

Slide 72 - Quiz

Als je de deeltjes van een stof fijner maakt wordt de reactiesnelheid...?
A
groter
B
kleiner
C
blijft gelijk

Slide 73 - Quiz

Als je de concentratie verhoogt wordt de reactiesnelheid...?
A
groter
B
kleiner
C
blijft gelijk

Slide 74 - Quiz

Als je de temperatuur verlaagt wordt de reactiesnelheid...?
A
groter
B
kleiner
C
blijft gelijk

Slide 75 - Quiz

Welk van de volgende stoffen kun je gebruiken om water aan te tonen?
A
Kalkwater
B
Blauw kopersulfaat
C
Wit kopersulfaat
D
Gloeiende houtspaander

Slide 76 - Quiz

2 C6H14 + 13 O2--> 12 CO + 14 H2O
Wat voor soort reactie is dit?
A
Verbranding
B
Ontleding
C
Vormingsreactie
D
Onvolledige verbranding

Slide 77 - Quiz

2 H2O --> 2 H2 + O2
Wat voor soort reactie is dit?
A
Verbranding
B
Ontleding
C
Vormingsreactie

Slide 78 - Quiz

Maud leidt lucht door kalkwater tot het troebel wordt.
Welke stof uit de lucht heeft het kalkwater troebel gemaakt?
A
zuurstof
B
stikstof
C
waterdamp
D
koolstofdioxide

Slide 79 - Quiz

Vul de juiste coefficient in:
2 Ca + 1 O2 --> ... CaO
A
1
B
2
C
4
D
0

Slide 80 - Quiz

Wat verandert er bij reacties?
A
Kleur
B
Vlammen
C
Fase (vast, vloeistof of gas)
D
Stofeigenschappen

Slide 81 - Quiz