Schrijf zoveel mogelijk!!!
• voegwoorden zoals ‘en’, ‘want’, ‘maar’, ‘omdat’
• verwijswoorden zoals ‘die’, ‘dat’, ‘zij’, ’hem’, ‘daar’.
Bijvoorbeeld: Ik moet dan naar de huisarts. Ik ken haar al 2 jaar.
• opsommingen (bijv. en, ook) en volgorde van activiteiten (bijv. dan, daarna).
• voorzetselcombinaties (bijv. ‘op school’, ‘met de bus’, ‘wachten op’, ‘luisteren naar’, ‘rondom de stad’, ‘langs de rivier’, ‘vanwege zijn ziekte’, ‘rekening houden met’, ‘verstand hebben van’
• bijzinnen (bijv. …,omdat ik het mooi vind.)
• meervoud met -en of -s (bijv. boeken, tafels) en overtreffende trap maken (bijv. mooi-mooier-mooist)
• lidwoorden (de, het, een)
• hoofdletters en punten