Sp & Gr H.1 2F

Grammatica 1
Woordsoorten

1.1 Werkwoorden
1.2 Naamwoorden en lidwoorden
1.3 Voornaamwoorden
1.4 Voegwoord en voorzetsels
1 / 28
next
Slide 1: Slide
NederlandsMBOStudiejaar 2

This lesson contains 28 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Grammatica 1
Woordsoorten

1.1 Werkwoorden
1.2 Naamwoorden en lidwoorden
1.3 Voornaamwoorden
1.4 Voegwoord en voorzetsels

Slide 1 - Slide

Dave wil langskomen om iets over de sportdag te vertellen.
Wat is vertellen?
A
Persoonsvorm
B
Voltooid deelwoord
C
Infinitief
D
Tegenwoordig deelwoord

Slide 2 - Quiz

Joost was onder de indruk van het bezoek.
Wat is Joost?
A
Zelfstandig naamwoord
B
Lidwoord
C
Bijvoegelijke naamwoord
D
Voorzetsel

Slide 3 - Quiz

Welk vorm(en) van het werkwoord zie je in deze zin?
Mijn collega komt altijd op de fiets naar het werk
A
Persoonsvorm
B
Infinitief
C
Voltooid deelwoord
D
Persoonsvorm en voltooid deelwoord

Slide 4 - Quiz

Welke vorm(en) van het werkwoord zie je in deze zin?
In de krant stond een bericht over een joyrider die tegen een winkelpui is gereden
A
Persoonsvorm en infinitief
B
Persoonsvorm
C
Persoonsvorm en voltooid deelwoord
D
Geen

Slide 5 - Quiz

Grammatica 1:
Woordsoorten:

1.3: Voornaamwoorden

Slide 6 - Slide

Voornaamwoorden
Hoe herken ik een persoonlijk, bezittelijk en aanwijzend voornaamwoord? 

Slide 7 - Slide

Wat is een voornaamwoord?
Een voornaamwoord is een woord dat naar iets of iemand verwijst. Soms is dat een woord dat in de buurt staat, maar dat hoeft niet. We hebben er drie:


  • persoonlijk voornaamwoord
  • bezittelijk voornaamwoord
  • aanwijzend voornaamwoord

Slide 8 - Slide

Persoonlijk voornaamwoord (pers.vnw) 

Verwijst naar persoon of zaak:
  • We moeten het verslag vandaag inleveren, maar ik heb het nog niet af.

Slide 9 - Slide

Persoonlijke voornaamwoorden: enkelvoud


1e persoon: ik mij/me
2e persoon: jij/je, u jou/je, u
3e persoon: hij, zij/ze, het hem, haar, het

Slide 10 - Slide

Persoonlijke voornaamwoorden: meervoud


1e persoon: wij/we ons
2e persoon: jullie, u jullie, u
3e persoon: zij/ze ze/hen/hun

Slide 11 - Slide

Bezittelijk voornaamwoord

Geeft aan van wie iets is en staat vóór dat bezit:
Onze secretaresse heeft uw contract op de post gedaan.

Slide 12 - Slide

Welke bezittelijke voornaamwoorden zijn er?

1e persoon enkelvoud: mijn (dus niet me fiets!)
2e persoon enkelvoud: jouw/je, uw
3e persoon enkelvoud: zijn, haar
1e persoon meervoud: ons/onze
2e persoon meervoud: jullie, uw
3e persoon meervoud: hun

Slide 13 - Slide

Aanwijzend voornaamwoord
Een aanw. vnw verwijst naar iets wat je vaak letterlijk kunt aanwijzen. Woorden als deze, die, dit, dat, zulk(e), zo’n, dergelijke.
  • de-woorden: deze auto die auto
  • het-woorden: dit filiaal dat filiaal
  • meervoud: deze huizen die huizen

Slide 14 - Slide

Samenvatting:


- Persoonlijke voornaamwoorden duidt iets of iemand aan

ik, jij, mij, hij, hem, haar, hen, hun

-Bezittelijke voornaamwoorden geven bezit aan, van wie iets is

mijn jas, haar fiets, onze hond

- Aanwijzende voornaamwoorden

Verwijst naar iets: deze, die, dat, zulke, zo'n

Slide 15 - Slide

Persoonlijk
Bezittelijk
Aanwijzend
ik
mijn
jou
jouw
deze
die

Slide 16 - Drag question

Vanavond ga IK naar de film.
A
persoonlijk voornaamwoord
B
bezittelijk voornaamwoord
C
lidwoord
D
voorzetsel

Slide 17 - Quiz

De stagiaires deden hun werk naar behoren. Wat is hun?
A
Persoonlijk
B
Aanwijzend
C
Bezittelijk
D
Geen van allen

Slide 18 - Quiz

Dit gebouw staat hier al bijna 100 jaar.
Wat is dit?
A
Persoonlijk
B
Bezittelijk
C
Aanwijzend
D
Geen van allen

Slide 19 - Quiz

Grammatica 1
Woordsoorten:

1.4 voegwoorden en voorzetsels

Slide 20 - Slide

Voegwoorden
Voegwoorden verbinden twee zinnen met elkaar. 
Ze zijn als het cement tussen twee bakstenen.

Ze staan meestal tussen twee zinnen, maar 
kunnen ook vooraan staan.

Mariska doet de inkoop en ik regel de verkoop.
Omdat het regent, ga ik met de auto.

Slide 21 - Slide

Voorzetsels
Voorzetsels staan vaak voor een zelfstandig naamwoord. 
Ze geven aan:

Plaats: naast, achter, in 
Tijd: in, tijdens
Reden: door, vanwege
Richting: de brug over
Uitdrukkingen

Slide 22 - Slide

Voorzetsels
Plaats: De mappen staan in de grijze kast op de bovenste plank.
Tijd: In de winter is er tijdens de pauze soep te krijgen.
Reden: Vanwege het slechte weer, blijven de ramen gesloten.
Richting: We rijden nu de tunnel in.
Uitdrukking: Die nieuwe scooter is een rib uit mijn lijf.

Slide 23 - Slide

DRIE VRAGEN
3 vragen over voorzetsels

Slide 24 - Slide

Wat is het voorzetsel?
A
in
B
thuis
C
de
D
kraan

Slide 25 - Quiz

Wat is het voorzetsel?
A
werken
B
fietsen
C
op
D
de

Slide 26 - Quiz

Wat is het voorzetsel?
A
en
B
tijdens
C
juf
D
omdat

Slide 27 - Quiz

Volgende week af hebben:
1.1 
1.2
1.3
1.4
Eerst de instaptoets van H.1 Sp&Gr

Slide 28 - Slide