Functiewoorden

Alles over functiewoorden

1 / 20
next
Slide 1: Slide
New lesson editorNederlandsPrimary EducationAge 12

This lesson contains 20 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 10 min

Items in this lesson

Alles over functiewoorden

Wat weet je al over functiewoorden?

Leerdoel van deze les

Aan het einde van deze les kun je verschillende functiewoorden herkennen en benoemen, zoals lidwoorden, persoonlijke en bezittelijke voornaamwoorden, aanwijzende voornaamwoorden, voorzetsels en voegwoorden.

Wat zijn functiewoorden?

Functiewoorden zijn woorden die andere woorden verbinden of ondersteunen. Ze hebben een grammaticale functie en geven structuur aan zinnen.

Lidwoorden

Lidwoorden zijn kleine woordjes zoals 'de', 'het' en 'een'. Ze staan voor zelfstandige naamwoorden.

Persoonlijk voornaamwoord

Persoonlijke voornaamwoorden vervangen namen: ik, jij, hij, wij, jullie, zij en u.

Schrijf alle lidwoorden op die je kent.

Wat is geen persoonlijk voornaamwoord?

A

ik

B

bij

C

jij

D

wij

Bezittelijk voornaamwoord

Bezittelijke voornaamwoorden geven bezit aan: mijn, jouw, zijn, haar, ons, hun, jullie.

Aanwijzend voornaamwoord

Aanwijzende voornaamwoorden wijzen iets aan: deze, dit, die, dat, zulke, dergelijke.

Wat is het bezittelijk voornaamwoord van 'ik'?

A

haar

B

mijn

C

jouw

D

zijn

Welke is een bezittelijk voornaamwoord?

A

hun

B

deze

C

die

D

dat

Wat is het bezittelijk voornaamwoord van 'wij'?

A

zijn

B

haar

C

ons

D

jouw

Voorzetsel

Voorzetsels geven een relatie aan tussen woorden: op, onder, naast, in, uit, bij, voor, achter.

Voegwoord

Voegwoorden verbinden zinnen of woorden: en, of, want, maar, omdat, hoewel.

Noem een voorbeeld van een voegwoord.

A

op

B

een

C

en

D

de

Schrijf alle functiewoorden op uit deze zin: Mark heeft een tas want hij gaat naar school.

Wat is een voorbeeld van een voorzetsel?

A

bellen

B

lopen

C

boven

D

onder

Welke zin bevat een voorzetsel?

A

De kat loopt snel.

B

De kat eet vis.

C

De kat slaapt.

D

De kat zit op de mat.

Vul de lege plekken uit de zin met een functiewoord:

..... kat loopt ..... de tafel.