Oefenen met onregelmatige werkwoorden

regelmatige en onregelmatige werkwoorden

1 / 25
next
Slide 1: Slide
New lesson editorNT2ISK

This lesson contains 25 slides, with interactive quizzes and text slide.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

regelmatige en onregelmatige werkwoorden

Wij genieten van het mooie weer. (perfectum)

A

Wij genaten van het mooie weer.

B

Wij genoten van het mooie weer

C

Wij hebben van het mooie weer genoten.

D

Wij hadden geneten van het mooie weer.

Toen de docent een vraag ........, .......... de klas.

A

stelde, zweeg

B

vraagde, zweeg

C

stolde, zwijgde

D

vroeg, zweeg

Gisteren ....... je veel haast, en daardoor ....... je je tas.

A

heeft, gehad

B

Vergeet, had

C

heb, vergat

D

had, vergat

Vroeger ......... ......... ........ aardbeien.

A

heb je gehouden

B

hield je van

C

je hield van

D

je hebt gehouden

Daniel ....... op zijn moeder ........ (wachten)

A

is gewachten

B

heeft gewachten

C

heeft gewacht

D

is gewacht

Gisteren ....... ik een boek, terwijl mijn zus thee .......

A

Heb, gedronken

B

leesde, dronk

C

las, drinkte

D

las, dronk

Ik ............ alvast met de afwas .......... (beginnen)

A

ben begonnen

B

heb begonnen

C

ben begind

D

heb begind

De kat ............. lekker in de zon.

A

lach

B

lag

C

gelegen

D

gelechen

De buren ........ vroeg in de ochtend naar Spanje .......

A

hebben vertrokken

B

hebben vertrokt

C

zijn vertrokken

D

zijn vertrokt

Waarheen ....... jouw zus .......

A

is verhoosd

B

is verhuisd

C

heeft verhoosd

D

heeft verhuist

........ jullie nog nooit in de Efteling .......?

A

hebben gehad

B

hebben geweest

C

Zijn gehad

D

Zijn geweest

In welk land ......... de Poolse troepen ......... in WOII?

A

hebben gevochten

B

zijn gevocht

C

moesten gevochten

D

Zouden gevochten

Zet deze zin in de perfectum:

Mijn zus verhuist naar Griekenland.

Zet deze zin in de perfectum:

Mijn tante overlijdt jong.

Zet in de imperfectum: De meisjes willen fruit kopen.

Zet in de perfectum: De leerlingen geloven het niet.

Hoe oud ......... je, toen je ........ dat je dokter ........ worden? (zijn, weten, willen)

Zet in de imperfectum: De website verwijst naar de tekst.

Zet in de imperfectum: In welk jaar gaan Patricia en Hubert naar Duitsland?

Zet in de perfectum: Wie sluit de deur?

Zet in de imperfectum: Maria moet naar de winkel gaan.

Zet in de perfectum: We lopen van noord naar zuid.

Zet in de perfectum: Peter vraagt zich af hoe de toets zal gaan.

Zet in de imperfectum: Layla gaat weg omdat ze niet meer meedoet.