Semana 20

¿Qué vamos a hacer hoy?
Semana 20 (40)
  • Bienvenida - 5 min
  • Vocabulario - 10 min
  •  describir la casa - 15 min

Doel: Aan het eind van deze les kan je:
  • Minimaal drie delen van een huis in het Spaans benoemen.
  • Je kan je huis beschrijven met ser/ tener/ hay
1 / 25
next
Slide 1: Slide
SpaansMiddelbare schoolhavoLeerjaar 1

This lesson contains 25 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 40 min

Items in this lesson

¿Qué vamos a hacer hoy?
Semana 20 (40)
  • Bienvenida - 5 min
  • Vocabulario - 10 min
  •  describir la casa - 15 min

Doel: Aan het eind van deze les kan je:
  • Minimaal drie delen van een huis in het Spaans benoemen.
  • Je kan je huis beschrijven met ser/ tener/ hay

Slide 1 - Slide

¿Cómo estás? Hoe gaat het?
¿Cómo?
=
Hoe?

Slide 2 - Slide

¡Bienvenidos a la clase de Español!
Hoy es _______, ____________ de__________

Slide 3 - Slide

Toetsstof Periode 3-4






week 12-16: PO
Toetsweek D: Proefwerk 4

Slide 4 - Slide

Las partes de la casa

Slide 5 - Slide

¿Qué significan..?

el salón = 
el comedor = 
la cocina =
el despacho = 

Slide 6 - Slide

Partes de la casa
/baño
/ habitación
timer
1:00

Slide 7 - Slide

Partes de la casa
de keuken
de woonkamer
de badkamer
de slaapkamer
het balkon
de garage
de tuin
het terras
de eetkamer
de kamer

Slide 8 - Slide

hay/ ser/ estar

Slide 9 - Slide

Los verbos ser y tener
yo
soy
tengo
eres
tienes
él/ella/usted
es
tiene
nosotros
somos
tenemos
vosotros
sois
tenéis
ellos/ellas/ustedes
son
tienen
ser = zijn
tener = hebben

Slide 10 - Slide

 describe tu casa
Mi casa     un salón, una cocina...

Mi dormitorio     blanco.

En el salón      un sofá......
tiene
es
hay
Leerdoel: huis beschrijven

Slide 11 - Slide

Slide 12 - Link

¿Cómo es tu casa? 
¿Puedes describir tu casa?
Mi casa es...
Mi casa tiene tres habitaciones
En mi casa hay un jardín 


  • Grande
  • Bonita

  • Pequeña
  • Moderna
  • Antigua

Slide 13 - Slide

Describe tu casa
Beschrijf je huis
Is het groot/ klein/ oud of nieuw?
Woon je in een huis/apartament/ villa?
Gebruike tenminste 2 zinnnen met het werkwoord ser/ tener/ hay
Min 40 woorden

Slide 14 - Slide

Exit ticket

1. Benoem drie delen van het huis in het Spaans?
2. Wat is.... in het Spaans?




Slide 15 - Slide

¿Qué vamos a hacer hoy?
Semana 20 (80)
  • Bienvenida - 5 min
  • Vocabulario - 10 min
  • Bron H - 20 min

Doel: Aan het eind van deze les kan je:
  • Minimaal drie delen van een huis in het Spaans benoemen.
  • Je kan je huis beschrijven met ser/ tener/ hay

Slide 16 - Slide

Vocabulario 
Groep 1: lees 3.3 pág 85
klaar? neem door 3.1 & 3.2

Groep 2: Lees 3.3 pág 85 en opdracht maken


Slide 17 - Slide



 Describe tu casa y tu dormitorio

En tu cuaderno escribe un texto similar al de Rodrigo acerca de tu casa y tu dormitorio.
Escribe: 
  • ¿Dónde vives? 
  • ¿Con quién vives?
  • ¿Cómo es tu casa?
  • ¿Qué hay arriba? 
  • ¿Qué hay abajo?
  • ¿Cómo es tu dormitorio?
  • ¿Qué hay fuera?
  • ¿Te gusta? 


Slide 18 - Slide

Slide 20 - Slide

Noem de juiste vorm van tener
1. (Él)_____________________ una casa grande
2. ¿(Vosotras)__________________ muchos deberes?
3. (Yo) _____________________ 34 años.
4. (Ellas) ____________________ la tarde libre.
5. (Nosotros) ____________________ un profesor muy simpático.
6. (Usted) __________________ un nombre bonito.

Slide 21 - Slide

Hacer frases
  • Mi casa tiene + ruimtes.
  • Mi (ruimte) tiene (meubel).
  • Mi (meubel) es (kleur).
  • Mi (ruimte) es (kleur). 
  • Tengo (meubel of ruimte) + (kleur).



Let op: kleuren zijn bijvoeglijk naamwoorden. 
Ze moeten nog worden aangepast.

Slide 22 - Slide

Slide 23 - Slide

¿Pueblo o ciudad?
1. Waar in de stad wonen jonge mensen volgens de tekst?
In het centrum (La gente joven quiere vivir en el centro)
2. En gezinnen met kinderen?
Verder weg van het centrum (más lejos del centro)
3. Hoe zien de huizen in de steden eruit?
Ze hebben twee of drie slaapkamers,  woonkamer, keuken en 1 of 2 badkamers. 
Het is gebruikelijk dat ze een klein balkon hebben of een terras met bloemen of planten. 
4. Welke voorzieningen zijn er volgens de tekst in de stad?
Supermarkten, parken, kerken, gezondheidscentra, winkels.
Ook zijn er veel transportmiddelen (metro/bus/trein).
5. Hoe zien de huizen in de dorpen eruit?
De huizen zijn groter, chalets of rijtjeshuizen. Ze hebben 3 of 4 slaapkamers, woonkamer,
eetkamer, keuken en patio. Het heeft 1 of 2 etages.
6. Wat heb je meestal niet in een dorp volgens de tekst?
Er zijn minder voorzieningen  (transport, scholen, gezondheidscentra etc.)

Slide 24 - Slide

Describir la casa

Slide 25 - Slide