Week 40 V4

1 / 40
next
Slide 1: Slide
SpaansMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4

This lesson contains 40 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 70 min
Report this lesson

Items in this lesson

Slide 1 - Slide

¿Qué has hecho este fin de semana?
Este fin de semana he estado en casa.
¿y tú?
Pret. Perfecto

Slide 2 - Slide

¿Qué vamos a hacer hoy?
Semana 40 clase 1
  • Bron E
  • Bron F

Lesdoel: aan het eind van deze les...
  • ken aan de hand van de handige korte gesprekken voeren en een mail schrijven over je vakantie.
  • Kan je door een lezen en luisteren de weg vragen en aangeven om een metro lijn te pakken in Barcelona.

 

Slide 3 - Slide

Toetsen





Week 44- 45 > PW (Schrijven)

Slide 4 - Slide

Toetsweek
Schrijfvaardigheid: 

1. Las vacaciones 
Je schrijft een verhaal over je vakantie, ook waarin je de weg wijst/uitlegt hoe je iemand de weg wijst. Je moet zowel de presente als de presente perfecto gebruiken. 
2. De routine
Je schrijft een verhaal ober je dagelijkse routine, ook waarin je de dagdelen en de tijd kan gebruiken. Je moet zowel regelmatige en wederkerende werkwoorden kunnen gebruiken.

Slide 5 - Slide

Repaso de la clase anterior

Slide 6 - Slide

BRON E


Frases claves

Hablar y escribir

Slide 7 - Slide

E. Frases clave
  •  TB pág 10    
  • Hacer: 
ej 16 + 18 --> beurten
Wb pg 21 t/m 23




timer
10:00

Slide 8 - Slide

Ej 19 ¡A escribir! 
                                                                                               
Vakantie: (Voltooidtegenwoordige tijd) min 80 woorden

  • Vertel of je op vakantie bent geweest, waarheen, met wie, wanneer.
  • Vertel wat je op vakantie hebt gedaan.
  • Noem iets leuks en iets minder leuks van je vakantie.
  • Vraag of hij/zij deze zomer op vakantie is geweest.
  • Vraag of hij/zij wel eens in ….. is geweest. 



Gebruik je woordenlijst en Frases Claves 
Klaar? voca cap 1
timer
20:00

Slide 9 - Slide

¡A escribir!
                                                                                               
Vakantie: (Voltooidtegenwoordige tijd)

  • Vertel of je op vakantie bent geweest , waarheen, met wie, wanneer: Yo he ido a/ estado en/ visitado... con .... en ....
  • Vertel wat je op vakantie hebt gedaan En las vacaciones yo he..., Yo he... y yo he...
  • Noem iets leuks en iets minder leuks van je vakantie.: Me gusta(n) (mucho) ...., No me gusta(n) (nada).....
  • Vraag of hij/zij deze zomer op vakantie is geweest: ¿Has ido de vacaciones este verano?
  • Vraag of hij/zij wel eens in ….. is geweest. ¿Has ido a/ estado en ....?



Slide 10 - Slide

Exit ticket

1. Hoe vraag je bent je ooit in Barcelona geweest?
2. Noem eens 2 nieuwe woorden?




Slide 11 - Slide

¿Qué vamos a hacer hoy?
Semana 40 clase 2
  • juego 
  • Escribir
  • Bron F

Lesdoel: aan het eind van deze les...
  • kan je vragen stellen en vragen beantwoorden over deze zomervakantie.
  • kan je een fragment luisteren 
  • Kan je een metrokaart lezen

 

Slide 12 - Slide

Toetsweek
Schrijfvaardigheid: 

1. Las vacaciones 
Je schrijft een verhaal over je vakantie, ook waarin je de weg wijst/uitlegt hoe je iemand de weg wijst. Je moet zowel de presente als de presente perfecto gebruiken. 
2. De routine
Je schrijft een verhaal ober je dagelijkse routine, ook waarin je de dagdelen en de tijd kan gebruiken. Je moet zowel regelmatige en wederkerende werkwoorden kunnen gebruiken.

Slide 13 - Slide

BEGINTAAK
Vertaal deze werkwoorden en geef aan het voltooid
  1. ir 
  2. estar 
  3. viajar 
  4. visitar
  5. hacer 
  6. ver
  7. nadar
  8. conocer
  9. comprar
timer
3:00

Slide 14 - Slide

Feedback geven
                                                                                               
Vakantie: (Voltooidtegenwoordige tijd) min 70 woorden

  • Vertel of je op vakantie bent geweest, waarheen, met wie, wanneer.
  • Vertel wat je op vakantie hebt gedaan.
  • Noem iets leuks en iets minder leuks van je vakantie.
  • Vraag of hij/zij deze zomer op vakantie is geweest.
  • Vraag of hij/zij wel eens in ….. is geweest. 



timer
5:00
Feedback
  • 1 top
  • 1 tip

Slide 15 - Slide

¡A escribir!
                                                                                               
Vakantie: (Voltooidtegenwoordige tijd)

  • Vertel of je op vakantie bent geweest , waarheen, met wie, wanneer: Yo he ido a/ estado en/ visitado... con .... en ....
  • Vertel wat je op vakantie hebt gedaan En las vacaciones yo he..., Yo he... y yo he...
  • Noem iets leuks en iets minder leuks van je vakantie.: Me ha gustado (mucho) ...., No me ha gustado (nada).....
  • Vraag of hij/zij deze zomer op vakantie is geweest: ¿Has ido de vacaciones este verano?
  • Vraag of hij/zij wel eens in ….. is geweest. ¿Has ido a/ estado en ....?



Slide 16 - Slide

Busca a alguien que...
Objetivo: Hablar y practicar con el P.Perfecto para luego escribir un texto.
timer
10:00

Slide 17 - Slide

Tarea escrita
Escribe un texto de 40  palabras sobre las vacaciones de al menos tres compañer@s de clase.

En tu texto:
  • Schrijf over minstens drie klasgenoten;
  • gebruik de voltooid tegenwoordige tijd (pretérito perfecto);
  • noem verschillende activiteiten die ze hebben gedaan;
  • voeg details uit de gesprekken toe;
  • probeer de zinnen met elkaar te verbinden om een samenhangende tekst te maken.

Listo? practicar el vocabulario

timer
20:00

Slide 18 - Slide

Dos verdades, una mentira
Este verano 
1. he visto un partido de béisbol.
2.  he estado en Miami.
3. he ido de compras.

Ahora Vosotros: 5 min

Slide 19 - Slide

BRON F


Leer y escuchar


Slide 20 - Slide

¿Adónde quieres ir? 
Viajar en metro en Barcelona.


TB p.11, fuente F
  1. HACER: WB A, p.24-26, ejercicio 20+22
  2. ESCUCHAR: ejercicio 21 (CD1 fragment 11) 

PA3 H1 Oef 21

Slide 21 - Slide

Ejercicio 20 pág 24-25    &                  Libro de texto pag. 11
a.    1  Wat betekent de titel?
       2  Wat zie je op het plaatje?

b.     Kies het juiste antwoord:
1       Van Sagrada Familia naar Diagonal neem je 
         de blauwe / paarse metrolijn.
2.     Van Passeig de Gracia naar Barceloneta kom je zonder / met een keer overstappen.
3       Naast verschillende metrolijnen heeft Barcelona twee / drie kabelbanen.
4      Op Dialogonal komen twee / drie andere metrolijnen bij elkaar.
5     Bij Espanya kruisen de blauwe / rode  en de paarse / groene metrolijn elkaar.
6     Van Drassanes naar Diagonal neem je de blauwe / groene lijn.
¿Adónde quieres ir?

Slide 22 - Slide

Ejercicio 20 pág 24-25                    
a.    1  Wat betekent de titel?  waar wil je heen?
       2  Wat zie je op het plaatje?  metrokaart van Barcelona

b.     Kies het juiste antwoord:
1       Van Sagrada Familia naar DIagonal neem je 
         de blauwe / paarse metrolijn.
2.     Van Passeig de Gracia naar Barceloneta kom je zonder / ,met een keer overstappen.
3       Naast verschillende metrolijnen heeft Barcelona twee / drie kabelbanen.
4      Op Dialogonal komen twee / drie andere metrolijnen bij elkaar.
5     Bij Espanya kruisen de blauwe / rode  en de paarse / groene metrolijn elkaar.
6     Van Drassanes naar Diagonal neem je de blauwe / groene lijn.
RESPUESTAS

Slide 23 - Slide

Ejercicio 21a+b pág 25
antwoorden:

  1. Sagrada Familia
  2.  met de metro
  3. welke metro ze moet nemen


  • 2
  • 5
  • 1
  • 3
  • 4

Slide 24 - Slide

Ejercicio 21c pág 25
antwoorden:

  1. a
  2. b
  3. a 
  4. c
  5. c

Slide 25 - Slide

Corregimos ejercicio 22a  pág 26-27

Slide 26 - Slide

Frases clave K
ESTUDIAR: 
Frases clave K
TB pág 15



HACER: 
  1. WB oef 35 pág 38
timer
10:00

Slide 27 - Slide

Escuchar 
Bron H. Leer y escuchar 
TB p. 14 en WB p. 30 y 31 ejercicio 26

Klaar?
Leer + Escribir
Maak ejercicios 25 + 27
27b: kom ik langs nakijken

Ejercicio 26 AB
Ejercicio 26CD
timer
20:00

Slide 28 - Slide

Exit ticket

1. Wat ging goed/ minder goed vandaag?
2. Wat kan je beter doen voor schrijfvaardigheid?




Slide 29 - Slide

¡A completar!
                                                                                                 Apeldoorn, 9 de abril de 2026
Hola ______________:
¿Cómo _________? Yo estoy muy _______. Me ________ María. Vivo ___ Apeldoorn
____mi familia. _____ en una casa grande __bonita. ___en la calle Jhr. Mr. G.W. Molleruslaan.
_________15 años. Soy __________, ___________ y __________. Además, soy __________.
_______en el Instituto KSG . Me ___________la biología. Es mi clase ____________. _____________, me gusta el español, _________ aprendo muchas palabras. Mis hobbies son: ____________ y ______________. Además, trabajo en ____________. 

¡Eso es todo! ¡Espero tu respuesta!
Te mando muchos saludos.
María.

timer
5:00

Slide 30 - Slide

¡A corregir!
                                                                                                 Apeldoorn, 9 de abril de 2026
Hola Anna :
¿Cómo estás? Yo estoy muy/un poco bien/mal. Me llamo María. Vivo en Apeldoorn con mi familia. Vivo en una casa grande y bonita. Vivo/Mi casa está en la calle Jhr. Mr. G.W. Molleruslaan.
Tengo (casi) 15 años. Soy inteligente, amable y guapa. Además, soy holandesa.
Estudio en el Instituto KSG . Me gusta la biología. Es mi clase favorita. También, me gusta el español, porque aprendo muchas palabras. Mis hobbies son:  leer y bailar. Además, trabajo en Jumbo. 
¡Eso es todo! ¡Espero tu respuesta!
Te mando muchos saludos.
María.

Slide 31 - Slide

¡A escribir!
                                                                                                 [plek en datum] 
- Groet + naam
- Vraag hoe je vriend/in is
- Vertel hoe je voelt
- Vertel dat je hebt iemand ontmoet op school (Voltooidtegenwoordige tijd)
- Vertel de naam en leeftijd
- Vertel 5 gingen over deze persoon (karakter en uiterlijk)
- Vertel over wat hij/zij leuk vindt (2 hobby's)
- Zeg dat je wacht op zijn/haar reactie
- Groet
- Je naam


Gebruik je woordenlijst en Frases Claves 
timer
10:00

Slide 32 - Slide

¡A escribir!
- Groet + naam: Hola, Anna
- Vraag hoe je vriend/in is: ¿Cómo estás?
- Vertel hoe je voelt: Yo estoy bien/súper/fenomenal
- Vertel dat je hebt iemand ontmoet op school (gebruik de verleden tijd): Yo he conocido un(a) chica(o) en el instituto.
- Vertel de naam en leeftijd: Se llama ...., tiene ... años.
- Vertel 5 gingen over deze persoon (karakter en uiterlijk)Él/ ella es ...., tiene pelo, tiene ojos....
- Vertel over wat hij/zij leuk vindt (2 hobby's): Le gusta ...
- Zeg dat je wacht op zijn/haar reactie. Espero tu respuesta.
- Groet: Adiós/ Hasta luego
- Je naam


Slide 33 - Slide

¡A escribir!
 
Vrienden
  • Vertel me de naam van je vriendin en hoe oud ze is.Beschrijf een vriend of vriendin (hoe hij/zij eruitziet, persoonlijkheid en welke stijl hij/zij heeft). 
  • Vertel me wat je vriend(in) graag doet
  • Vraag hoe zijn/haar beste vriend(in) eruitziet.
  • Vraag of hij/zij een foto van zijn/haar vriend(in) heeft.    



Gebruik je woordenlijst en Frases Claves 
timer
10:00

Slide 34 - Slide

¡A escribir!
 
Vrienden
  • Vertel me de naam van je vriend(in) en hoe oud hij/ze is: Se llama ... tiene ... años
  • Beschrijf een vriend of vriendin (hoe hij/zij eruitziet, persoonlijkheid en welke stijl hij/zij heeft): Él/ ella es muy/ bastante/ un poco...., tiene pelo, tiene ojos..... Ella tiene un estilo ....
  • Vertel me wat je vriend(in) graag doet: A mi amiga le gusta....
  • Vraag hoe zijn/haar beste vriend(in) eruitziet. ¿Cómo es tu mejor amiga(o)?
  • Vraag of hij/zij een foto van zijn/haar vriend(in) heeft. ¿Tienes una foto de tu amigo(a)?



Slide 35 - Slide

¡A escribir!


Sport
  • Vertel of je een sport beoefent en hoe vaak je traint.
  • Leg uit waarom je die sport beoefent.
  • Vraag of hij/zij aan sport doet.
  • Vraag hoe vaak hij/zij per week traint.
  • Geef een tip over gezond leven: debes + hele ww
     (Debes comer muchas verduras/ 
      Debes beber mucha agua, dos litros al día)
 




Gebruik je woordenlijst en Frases Claves 
timer
10:00

Slide 36 - Slide

¡A escribir!
Sport

  • Vertel of je een sport beoefent en hoe vaak je traint: Yo practico.... 2/3/4 veces por semana, los lunes, miércoles.... Yo entreno 1 vez por semana, los sábados.
  • Leg uit waarom je die sport beoefent: Yo practico ... porque es muy/bastante ...
  • Vraag of hij/zij aan sport doet: ¿Qué deportes practicas?/ ¿Practicas algún deporte?
  • Vraag hoe vaak hij/zij per week traint: ¿Con qué frecuencia entrenas?
  • Geef een tip over gezond leven: debes + hele ww
     (Tú debes comer muchas verduras/ 
      Debes beber mucha agua, dos litros al día)
 




Slide 37 - Slide

¡A escribir!
                                                                                               
Pasatiempos/Hobby’s (werkwoord "Gustar")

  • Vertel wat je hobby’s zijn en wat je graag doet.
  • Vertel sinds wanneer je je hobby beoefent.
  • Vraag wat zijn/haar hobby is.
  • Vraag wat voor soort muziek hij/zij leuk vindt. 



Gebruik je woordenlijst en Frases Claves 
timer
10:00

Slide 38 - Slide

¡A escribir!
                                                                                               
Pasatiempos/Hobby’s (werkwoord "Gustar")

  • Vertel wat je hobby’s zijn en wat je graag doet en waarom: Me gusta.... porque es....
  • Vertel sinds wanneer je je hobby beoefent: Yo .... desde hace ... años/meses
  • Vraag wat zijn/haar hobby is: ¿Qué te gusta hacer en tu tiempo libre?/ ¿Cuáles son tus pasatiempos favoritos?
  • Vraag wat voor soort muziek hij/zij leuk vindt. ¿Qué música te gusta escuchar?



Slide 39 - Slide

Vocabulario
Werkboek
Cap 1 (overhoring)

Extra: 
In studiewijzer: Thematische woordenschat
timer
10:00

Slide 40 - Slide