Lesson Six A Theme 5

1 / 35
next
Slide 1: Slide
EngelsMiddelbare schoolmavo, havoLeerjaar 1

This lesson contains 35 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 80 min

Items in this lesson

Slide 1 - Slide



  • Taking the register (roll call)
  • What do you need?
  • Learning goals
  • Grammar Recap



  • Let's get down to work (exercises)
  • Homework

Slide 2 - Slide

Slide 3 - Slide

iPad      workbook      binder          pen         airpods
                       B                              and pencil

Slide 4 - Slide

  • Herhalen grammatics


Slide 5 - Slide

Slide 6 - Slide

to be
(past simple)

Slide 7 - Slide

to be (past simple)
  • to be = zijn
  • past simple = verleden tijd

  • To be in de verleden tijd kent 2 vormen:
  • was
  • > I, he, she, it
  • were
  • > you, we, you, they

Slide 8 - Slide

to be (past simple)
Bevestigend (+)
Ontkennend(-)
Vragend (?)
I was.
 I wasn't.
Was I?
You were.
You weren't
Were you?
He was.
He wasn't
Was he?
She was.
She wasn't
Was she?
It was.
It wasn't.
Was it?
We were.
We weren't
Were we?
You were.
You weren't.
Were you?
They were.
They weren't.
Were they?

Slide 9 - Slide

past simple
(bevestigen)

Slide 10 - Slide

past simple
  • past simple = verleden tijd

  • Je maakt de past simple (meestal) door -ed achter het werkwoord te zetten.
  • work > worked
  • Als er al een -e staat, zet je alleen een -d achter het werkwoord.
  • hike > hiked

Slide 11 - Slide

past simple
ontkennen

Slide 12 - Slide

past simple (ontkennen)
  • past simple = verleden tijd

  • Ontkenningen in de past simple maak je met:                 didn't + werkwoord
  • She played a game. > She didn't play a game.

  • LET OP: je zet dus GEEN -(e)d achter het werkwoord!

Slide 13 - Slide

past simple
vragen

Slide 14 - Slide

past simple (vragen)
  • past simple = verleden tijd

  • Vragen in de past simple maak je met:                         Did ... + werkwoord ... ?
  • He worked hard. > Did he work hard?

  • LET OP: je zet dus GEEN -(e)d achter het werkwoord!

Slide 15 - Slide

past simple
Bevestigend (+)
(w.w. + ed)
Ontkennend(-)
(didn't + w.w.)
Vragend (?)
(Did ... + w.w.)
I worked hard.
I didn't work hard.
Did I work hard?
You worked hard.
You didn't work hard.
Did you work hard?
He worked hard.
He didn't work hard.
Did he work hard?
She worked hard.
She didn't work hard.
Did she work hard?
It worked hard.
It didn't work hard.
Did it work hard?
We worked hard.
We didn't work hard.
Did we work hard?
You worked hard.
You didn't work hard.
Did you work hard?
They worked hard.
They didn't work hard.
Did they work hard?

Slide 16 - Slide

plural
(meervoud)

Slide 17 - Slide

New grammar: plural
Algemeen 1
Zelfstandig naamwoord +s (teacher > teachers, etc.)
Algemeen 2
Algemeen 3
Algemeen 4
Let op
Uitzonderingen 1
Uitzonderingen 2

Slide 18 - Slide

New grammar: plural
Algemeen 1
Zelfstandig naamwoord +s (teacher > teachers, etc.)
Algemeen 2
Eindigt het zelfstandig naamwoord op: -s/-sh/-ch/-x/-z (s-klank) , dan krijg je +es 
(bus > buses / dish > dishes / match > matches / box > boxes / fez > fezzes)
Algemeen 3
Algemeen 4
Let op
Uitzonderingen 1
Uitzonderingen 2

Slide 19 - Slide

New grammar: plural
Algemeen 1
Zelfstandig naamwoord +s (teacher > teachers, etc.)
Algemeen 2
Eindigt het zelfstandig naamwoord op: -s/-sh/-ch/-x/-z (s-klank) , dan krijg je +es 
(bus > buses / dish > dishes / match > matches / box > boxes / fez > fezzes)
Algemeen 3
Eindigt het zelfstandig naamwoord op medeklinker+o, dan krijg je +es 
(tomato > tomatoes / hero > heroes > echo > echoes)
Algemeen 4
Let op
Uitzonderingen 1
Uitzonderingen 2

Slide 20 - Slide

New grammar: plural
Algemeen 1
Zelfstandig naamwoord +s (teacher > teachers, etc.)
Algemeen 2
Eindigt het zelfstandig naamwoord op: -s/-sh/-ch/-x/-z (s-klank) , dan krijg je +es 
(bus > buses / dish > dishes / match > matches / box > boxes / fez > fezzes)
Algemeen 3
Eindigt het zelfstandig naamwoord op medeklinker+o, dan krijg je +es 
(tomato > tomatoes / hero > heroes > echo > echoes)
Algemeen 4
Als het zelfstandig naamwoord eindigt op medeklinker+y, dan krijg je -ies op het eind (city > cities / baby > babies / country > countries), de -y valt weg
Let op
Uitzonderingen 1
Uitzonderingen 2

Slide 21 - Slide

New grammar: plural
Algemeen 1
Zelfstandig naamwoord +s (teacher > teachers, etc.)
Algemeen 2
Eindigt het zelfstandig naamwoord op: -s/-sh/-ch/-x/-z (s-klank) , dan krijg je +es 
(bus > buses / dish > dishes / match > matches / box > boxes / fez > fezzes)
Algemeen 3
Eindigt het zelfstandig naamwoord op medeklinker+o, dan krijg je +es 
(tomato > tomatoes / hero > heroes > echo > echoes)
Algemeen 4
Als het zelfstandig naamwoord eindigt op medeklinker+y, dan krijg je -ies op het eind (city > cities / baby > babies / country > countries), de -y valt weg
Let op
Eindigt het zelfstandig naamwoord op -f, dan verandert de -f in -ves 
(wolf > wolves / knife > knives)
Uitzonderingen 1
Uitzonderingen 2

Slide 22 - Slide

New grammar: plural
Algemeen 1
Zelfstandig naamwoord +s (teacher > teachers, etc.)
Algemeen 2
Eindigt het zelfstandig naamwoord op: -s/-sh/-ch/-x/-z (s-klank) , dan krijg je +es 
(bus > buses / dish > dishes / match > matches / box > boxes / fez > fezzes)
Algemeen 3
Eindigt het zelfstandig naamwoord op medeklinker+o, dan krijg je +es 
(tomato > tomatoes / hero > heroes > echo > echoes)
Algemeen 4
Als het zelfstandig naamwoord eindigt op medeklinker+y, dan krijg je -ies op het eind (city > cities / baby > babies / country > countries), de -y valt weg
Let op
Eindigt het zelfstandig naamwoord op -f, dan verandert de -f in -ves 
(wolf > wolves / knife > knives)
Uitzonderingen 1
Sommige zelfstandig naamwoorden zijn altijd enkelvoud  (hair / fish / sheep)

Uitzonderingen 2

Slide 23 - Slide

New grammar: plural
Algemeen 1
Zelfstandig naamwoord +s (teacher > teachers, etc.)
Algemeen 2
Eindigt het zelfstandig naamwoord op: -s/-sh/-ch/-x/-z (s-klank) , dan krijg je +es 
(bus > buses / dish > dishes / match > matches / box > boxes / fez > fezzes)
Algemeen 3
Eindigt het zelfstandig naamwoord op medeklinker+o, dan krijg je +es 
(tomato > tomatoes / hero > heroes > echo > echoes)
Algemeen 4
Als het zelfstandig naamwoord eindigt op medeklinker+y, dan krijg je -ies op het eind (city > cities / baby > babies / country > countries), de -y valt weg
Let op
Eindigt het zelfstandig naamwoord op -f, dan verandert de -f in -ves 
(wolf > wolves / knife > knives)
Uitzonderingen 1
Sommige zelfstandig naamwoorden zijn altijd enkelvoud  (hair / fish / sheep)
Sommige zelfstandig naamwoorden zijn altijd meervoud (trousers / glasses / scissors)
Uitzonderingen 2

Slide 24 - Slide

New grammar: plural
Algemeen 1
Zelfstandig naamwoord +s (teacher > teachers, etc.)
Algemeen 2
Eindigt het zelfstandig naamwoord op: -s/-sh/-ch/-x/-z (s-klank) , dan krijg je +es 
(bus > buses / dish > dishes / match > matches / box > boxes / fez > fezzes)
Algemeen 3
Eindigt het zelfstandig naamwoord op medeklinker+o, dan krijg je +es 
(tomato > tomatoes / hero > heroes > echo > echoes)
Algemeen 4
Als het zelfstandig naamwoord eindigt op medeklinker+y, dan krijg je -ies op het eind (city > cities / baby > babies / country > countries), de -y valt weg
Let op
Eindigt het zelfstandig naamwoord op -f, dan verandert de -f in -ves 
(wolf > wolves / knife > knives)
Uitzonderingen 1
Sommige zelfstandig naamwoorden zijn altijd enkelvoud  (hair / fish / sheep)
Sommige zelfstandig naamwoorden zijn altijd meervoud (trousers / glasses / scissors)
Uitzonderingen 2
Sommige zelfstandig naamwoorden hebben een eigen meervoudsvorm
(man > men / child > children / tooth > teeth / foot > feet / mouse > mice)

Slide 25 - Slide

could
&
couldn't

Slide 26 - Slide

Could / couldn't
  • Betekenis: Zou (niet) kunnen

  • Gebruik: 
  • - beleefde vraag       Could you please help me.     
  • - voorstel                  We could ask him to help us.
      

Slide 27 - Slide

Could / couldn't
  • Betekenis: Zou (niet) kunnen

  • Gebruik: 
  • - beleefde vraag       Could you please help me.     
  • - voorstel                  We could ask him to help us.
      

Bij could en couldn't gebruik je altijd het hele werkwoord

Slide 28 - Slide

's or s'

Slide 29 - Slide

's or s'
Gebruik:
  • Je gebruikt 's en s' om bezit aan te geven.
  • Je geeft met 's en s' aan van wie iets is.

Vorm:
  • 's gebruik je bij bezit van één persoon.
  • s' gebruik je bij bezit van een meerdere personen, als er een meervouds -s staat.

Voorbeelden:
  • Mister Sebel's lightsaber. (Bezit van één persoon)
  • Marcus's schoolbag. (Bezit van één persoon)

  • My brothers' cars. (Bezit meerdere personen met meervouds -s)
  • Their neighbours' house. (Bezit meerdere personen met meervouds -s)

Slide 30 - Slide

Unit 5: Catch up
Do:
Alle oefeningen, behalve met


Slide 31 - Slide

Unit 5: Self-test
Do:
Alle oefeningen, behalve Phrases


Slide 32 - Slide

Slide 33 - Slide



- vrijdag 28 mei
   - woorden
   - zinnen
   - grammar


Slide 34 - Slide

Thanks for your attention

Slide 35 - Slide