1HV Ch2 le restaurant

1 / 29
next
Slide 1: Slide
FransMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 1,2

This lesson contains 29 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

Slide 1 - Slide

Aujourd'hui
1) Klassikale quiz over eten & restaurants, vocabulaire, grammatica in LessonUp

2) Zelfstandig werken: huiswerk maken over "dineren in de lucht" (Bron B)

Slide 2 - Slide

Le restaurant

Slide 3 - Mind map

Hoe voer je een gesprek  in een restaurant?

Slide 4 - Slide

Slide 5 - Video

"Qu'est-ce que vous prenez?"
betekent ...
A
Wat kan ik voor u inschenken?
B
Wat drinkt u?
C
Wat neemt u?
D
Wat eet u?

Slide 6 - Quiz

Vertaal: "L'entrée"

Slide 7 - Open question

Wat betekent "Bon appétit !"
A
Slaap lekker
B
Eet smakelijk
C
Gefeliciteerd
D
Tot ziens!

Slide 8 - Quiz

"Comme dessert, je prends ..."
betekent...
A
Als toetje neem ik...
B
Ik heb besteld...
C
Ik neem...
D
Ik nodig uit...

Slide 9 - Quiz

l'addition
A
het restaurant
B
de rekening
C
de (menu)kaart
D
het ijsje

Slide 10 - Quiz

Ik zou graag willen
A
je choisis
B
je cherche
C
je préfère
D
je voudrais

Slide 11 - Quiz

Le plat principal, le dessert, le légume
kies de juiste vertaling
A
het nagerecht , de vis, het hoofdgerecht
B
het hoofdgerecht, het voorgerecht, de groente
C
het hoofdgerecht, het nagerecht, het vlees
D
het hoofdgerecht, het nagerecht, de groente

Slide 12 - Quiz

le croissant
la boulangerie
manger
le café
la confiture
le restaurant
la baguette

Slide 13 - Drag question

Le pain au chocolat
le pain

Le gâteau

La baguette
Le croissant
La boulangerie

Slide 14 - Drag question

Wat is:

le beurre
A
B
C
D

Slide 15 - Quiz

Réservé 
Manger 
Le poulet 
Boire 
La viande 

Slide 16 - Drag question

J'ai soif
J'ai faim
Le lait
De l'eau 
Le pain 

Slide 17 - Drag question

Le petit déjeuner
Le déjeuner
Le dîner
Le dessert
Le jambon

Slide 18 - Drag question

Wat is:

la farine
A
B
C
D

Slide 19 - Quiz

Wat is:

les céréales
A
B
C
D

Slide 20 - Quiz

bellen
een hekel hebben aan
aankomen
praten
liever hebben
dol zijn op
adorer
arriver
préférer
parler
téléphoner
détester

Slide 21 - Drag question

Wat is:

une poire
A
B
C
D

Slide 22 - Quiz

Drinken
Eten
le jus de fruit
la tartine
le sel
le café
le lait
la farine
le légume
le pain
le sucre

Slide 23 - Drag question

  Zet de persoonlijk voornaamwoorden in de juiste volgorde 
il
elle
tu
on
nous
je
vous
ils
elles

Slide 24 - Drag question

Slide 25 - Slide

Slide 26 - Slide

Slide 27 - Slide

Vertaal: "Le plat principal"

Slide 28 - Open question

Slide 29 - Slide