Grammatica-praten over de toekomst

Grammatica-praten over de toekomst
1 / 34
next
Slide 1: Slide
NT2MBOStudiejaar 2

This lesson contains 34 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Grammatica-praten over de toekomst

Slide 1 - Slide

Doelen:
Je leert hoe je over de toekomst kunt praten
Je leert hoe je het werkwoord zullen kunt gebruiken.

Slide 2 - Slide

Verschillende manieren:
Manier 1:
Een werkwoord in de tegenwoordige tijd en een tijdsbepaling

Bijvoorbeeld:
Wij verhuizen volgend jaar naar Gelderland. Dan kopen we een oude boerderij om te verbouwen.

Slide 3 - Slide

Slide 4 - Slide

Verschillende manieren:
Manier 2:
Het hulpwerkwoord zullen en een infinitief (het hele werkwoord)


Bijvoorbeeld:
Wij zullen volgend jaar naar Gelderland verhuizen. Dan zullen we een oude boerderij kopen om te verbouwen.

Slide 5 - Slide

Zullen: vorm en betekenis
zullen is een onregelmatig werkwoord
je moet de vormen dus leren

de betekenis in de tegenwoordige tijd 
is anders dan in de verleden tijd

Slide 6 - Slide

zullen tt                    

ik                       zal                      
jij/ u                 zult                
hij/zij/het      zal     

wij / jullie / zij             zullen  

(maar zal jij/u ?)          
            

zullen vt                    

ik                 zou                         
jij/u             zou                     
hij/zij/het zou  
   
wij / jullie / zij       zouden         

Slide 7 - Slide

1. Belofte

2. Voorstel 

3. Verwachting 

4. Voornemen

5. Noodzaak


zullen  tegenwoordige tijd
1. ik zal goed leren voor de toets.

2. Zullen we naar de Spar gaan in de pauze?

3. Zal de leestoets moeilijk zijn?

4 Ik zal goed mijn best doen bij gym.

5.Je zal moeten eten, anders ga je dood.

Slide 8 - Slide

Zouden (verleden tijd van zullen)
Zouden

1. Beleefde vraag
 
2. Advies geven
 
3. wens of geen realiteit
 
4. Onzekerheid

Zou je mij de pen willen geven? 

Zou je niet wat vroeger naar bed gaan?

Ik zou wel naar Ibiza willen!

Het zou kunnen gaan regenen!

Slide 9 - Slide

Verschillende manieren:
Manier 3:
Het hulpwerkwoord gaan en een infinitief (het hele werkwoord)


Bijvoorbeeld:
Wij gaan volgend jaar naar Gelderland verhuizen. Dan gaan we een oude boerderij kopen om te verbouwen.

Slide 10 - Slide

gaan - tegenwoordige tijd

ik ga
jij gaat
hij/zij/het gaat
wij gaan
jullie gaan
zij gaan                


gaan - verleden tijd

ik ging
jij ging
hij/zij/het ging
wij gingen
jullie gingen
zij gingen

Slide 11 - Slide

Slide 12 - Slide

Slide 13 - Video

Let op!!: zullen in de toekomende tijd
We gebruiken in het Nederlands zullen niet vaak
om te praten over iets in de toekomst, maar het kan/mag wel.

Ik zal morgen komen.
Wij zullen maandag de toets maken.

Vaker kiezen we voor de OTT of gaan + infinitief:

Ik kom morgen.
Wij maken maandag de toets / we gaan maandag de toets maken.



Slide 14 - Slide

Zullen we vanmiddag samen huiswerk maken?
A
belofte
B
voorstel
C
verwachting
D
voornemen

Slide 17 - Quiz

Ik zal vaker gaan sporten, want dat is gezond
A
belofte
B
voorstel
C
verwachting
D
voornemen

Slide 18 - Quiz

Ik zal morgen jouw trui meenemen
A
belofte
B
voorstel
C
verwachting
D
voornemen

Slide 19 - Quiz

Hij zal toch wel op tijd zijn voor de les
A
belofte
B
voorstel
C
verwachting
D
voornemen

Slide 20 - Quiz

Oefeningen door elkaar

Slide 22 - Slide

Toekomstige tijd of niet?
Mijn buurman kampt met grote problemen
A
Ja
B
Nee

Slide 23 - Quiz

Toekomstige tijd of niet?
We doen lekker niets in onze vakantie.
A
Ja
B
Nee

Slide 24 - Quiz

Toekomstige tijd of niet?
Ze zullen zich schuldig voelen
A
Ja
B
Nee

Slide 25 - Quiz

Toekomstige tijd of niet?
Olga gaat haar best doen
A
Ja
B
Nee

Slide 26 - Quiz

Kies het goede antwoord.
Vanmiddag eet ik in de stad
A
Verleden
B
Heden
C
Toekomst

Slide 27 - Quiz

het huidige moment
A
Verleden
B
Heden
C
Toekomst

Slide 28 - Quiz

Binnenkort..
A
..ben ik naar Bali geweest
B
..was ik in Bali
C
..ga ik naar Bali
D
..ben ik in Bali

Slide 29 - Quiz

1. Op dat moment
2.Op dit moment
A
1 Verleden 2 Heden
B
1 Heden 2 Verleden
C
1 Toekomst 2 Heden
D
1 Toekomst 2 Verleden

Slide 30 - Quiz

Zet op chronologische volgorde:
1.op het moment/ 2.geleden/ 3.straks

Slide 31 - Open question

Zet op chronologische volgorde:
1.voorbij / 2.tegenwoordig / 3.binnenkort

Slide 32 - Open question

Heb je de leerdoelen onder de knie?
😒🙁😐🙂😃

Slide 33 - Poll

Hoe vond je deze les?

😒🙁😐🙂😃

Slide 34 - Poll