1.1 Een nieuwe grondwet (B)

1 / 20
next
Slide 1: Slide
GeschiedenisMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 4

This lesson contains 20 slides, with interactive quizzes, text slides and 3 videos.

Items in this lesson

Slide 1 - Slide

Wat gaan we doen? 
1. Herhalingsquiz
2. Leerdoelen
3. Theorie
4. Beeldmateriaal
5. Aan de slag
6. Leerdoelen nabespreken

Slide 2 - Slide


Wat was het Revolutiejaar? 
A
1818
B
1828
C
1838
D
1848

Slide 3 - Quiz


Wie was koning van Nederland tijdens het Revolutiejaar? 
A
Willem Lodewijk
B
Willem I
C
Willem II
D
Willem III

Slide 4 - Quiz


Wat is censuskiesrecht?
Mensen hebben kiesrecht wanneer ze ... 
A
Een bepaald beroep hebben
B
Een bepaald inkomen hebben
C
Bepaald bedrag aan belasting wordt betaald
D
Een man van 21 jaar oud zijn

Slide 5 - Quiz


Van welke macht spreken we?
De macht om wetten te maken en wetten te veranderen
A
Uitvoerende macht
B
Rechterlijke macht
C
Wetgevende macht

Slide 6 - Quiz


Van welke macht spreken we?
De macht om mensen te straffen 
  
A
Uitvoerende macht
B
Rechterlijke macht
C
Wetgevende macht

Slide 7 - Quiz

Leerdoelen
1. Je weet drie grondrechten te noemen.
 
2. Je weet het verschil tussen een coalitie en een oppositie. 
 
3. Je weet wat de twee taken zijn van het parlement.  

Slide 8 - Slide

Theorie
Wat als de overheid – de drie machten van Trias Politica samen – te machtig wordt? Dit kan nare gevolgen hebben voor de burgers; de regering kan de burger dan onderdrukken. Om te voorkomen dat de burger wordt onderdrukt zijn er klassieke grondrechten in de grondwet opgenomen.  

Opschrijven
De klassieke grondrechten beschermen burgers tegen de overheid. De belangrijkste zijn: 
Vrijheid van godsdienst; 
Vrijheid van meningsuiting; 
Vrijheid van pers; 
Vrijheid van onderwijs; 
Vrijheid van vereniging en vergadering.  



Slide 9 - Slide

Theorie
In de tijd van Thorbecke waren er in ons land nog geen politieke partijen. Nu is dat helemaal anders. Je kan stemmen op ontzettend veel partijleiders die elk voor hun eigen standpunten staan. Deze politieke partijen mogen samenwerken en bij een meerderheid ook regeren.  




Slide 10 - Slide

Theorie
Opschrijven
Wanneer meerdere partijen een regering vormen (.. ? zetels) noemen we dit een coalitie.  
 
De andere overgebleven partijen worden de oppositie genoemd.  





Slide 11 - Slide

Slide 12 - Link

Theorie
Opschrijven
Het parlement – dus de Eerste en de Tweede Kamer samen – heeft twee taken.  
 
1) Het maken en goedkeuren van wetten; 
Het recht van amendement: Leden van de Tweede Kamer mogen een wetsvoorstel van een minister wijzigen of aanvullen.  
Het recht van initiatief: Leden van de Tweede Kamer mogen zelf een wetsvoorstel indienen.  
 
2) Het controleren van de regering. 
Het recht van interpellatie: Het parlement mag een minister om informatie vragen. De minister is verplicht eerlijke informatie te geven.  





Slide 13 - Slide

Beeldmateriaal

Slide 14 - Slide

Slide 15 - Video

Slide 16 - Video

Slide 17 - Video

Aan de slag
1. Maak de resterende opdrachten 7 t/m 13. 

2. Ben je klaar? (dus ook met 2 t/m 6) Dan mag je gaan! 

Slide 18 - Slide

Slide 19 - Slide

Leerdoelen nabespreken
1. Je weet drie grondrechten te noemen.
 
2. Je weet het verschil tussen een coalitie en een oppositie. 
 
3. Je weet wat de twee taken zijn van het parlement.  

Slide 20 - Slide