Op zondag maakt Anja een lange wandeling door het bos. Ze loopt al een uur en begint een beetje moe te worden. Gelukkig staat er verderop een bank langs het pad.
Anja gaat zitten en drinkt wat water. Ze kijkt om zich heen. In de kring van bomen ziet ze een klein huisje. Uit het huisje klinkt muziek.
Anja loopt ernaartoe. Ze denkt eerst dat het een café is, maar er staat alleen een oude man voor de deur.
‘Kom maar binnen,’ zegt de man. ‘Ik schenk net een kopje thee in.’
Anja bedankt hem en gaat naar binnen. Op tafel staat een grote kan met thee. De man begint te vertellen over zijn leven. Hij heeft vroeger veel gereisd en kent allerlei landen.
‘Ik heb lang in Engeland gewoond,’ vertelt hij. ‘Daar heb ik leren zingen. Mijn vrienden vonden mijn stem niet zo mooi, maar ik vond het zelf geweldig.’
Anja moet lachen.
Als ze later weer verdergaat, denkt ze aan de vriendelijke man. Ze heeft vandaag niet alleen een lange wandeling gemaakt, maar ook een bijzondere ontmoeting gehad.
Op de terugweg ziet ze de oude bank weer. Ze gaat nog even zitten en denkt: ‘Soms hoef je helemaal niet ver te gaan om iets bijzonders te vinden.’