Fictie les 2 personages-fictie en nonfictie

Fictie 2

Verschil fictie en non fictie. Personages. 

1 / 13
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 2

This lesson contains 13 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

Fictie 2

Verschil fictie en non fictie. Personages. 

Slide 1 - Slide

This item has no instructions

Fictie en non-fictie
Fictie: verzonnen verhalen 
weet jij een voorbeeld?

Non-fictie: teksten over de werkelijkheid 
weet jij een voorbeeld?

Slide 2 - Slide

This item has no instructions

Opdracht non-fictie
Bij non-fictie gaat het minder om de beleving en veel meer om de weergave van informatie en letterlijke feiten. De titel is heel duidelijk.  Google eens op: top 10 nederlandse non-fictie boeken. Staat er iets bij dat jij zou willen lezen?

Slide 3 - Slide

This item has no instructions

Lesdoelen
  • Je kent de begrippen fictie en non-fictie.
  • Je weet wanneer een verhaal realistisch of niet realistisch is.

  • Je kent het verschil tussen tussen een rond en een plat karakter.
  • Je weet dat de hoofdpersonage een ontwikkeling doormaakt. 

Slide 4 - Slide

This item has no instructions

fictie
non-fictie
tijdschriftartikel
gedicht
tekst op Wikipedia
journaal
toneelstuk
leesboek

Slide 5 - Drag question

This item has no instructions

Dit maakt een verhaal realistisch
Dit maakt een verhaal niet-realistisch
Mensen lijken echt in wat ze doen en zeggen.
De wereld waarin het verhaal zich afspeelt is verzonnen.
Er komen verzonnen wezens / fantasiefiguren voor.
Er komen mensen / plaatsen voor die echt hebben bestaan.
De gebeurtenissen zijn in werkelijkheid ook mogelijk.

Slide 6 - Drag question

This item has no instructions

realistisch of niet........
Verhalen zijn altijd verzonnen. Het doel is vermaken / amuseren.

Realistisch: de mensen en de gebeurtenissen lijken op de werkelijkheid.

Niet-realistisch: de schrijver heeft een verhaal verzonnen met dingen die in de werkelijkheid niet kunnen.

Slide 7 - Slide

This item has no instructions

Personages: hoofdpersonage
Over een hoofdpersoon kom je te weten:
  • wat hij denkt en voelt;
  • wat zijn karaktereigenschappen zijn;
  • hoe hij eruitziet;
  • waar, hoe en met wie hij woont.
  • Wat zijn problemen zijn en uiteindelijk de oplossing daarvan, hij maakt een ontwikkeling door in het verhaal.

Slide 8 - Slide

This item has no instructions

Bijpersonen
  • Veel minder informatie;
  • meestal geen gedachten en gevoelens;
  • veranderen niet en reageren vaak voorspelbaar.
  • Dit noemen we een:
plat personage
Dat betekent niet dat ze niet belangrijk zijn: geen Harry Potter zonder Voldemort nietwaar?

Slide 9 - Slide

This item has no instructions

Hoofdpersoon
- Meer karaktereigenschappen waardoor ze niet telkens op dezelfde manier reageren.
- Vaak veranderen ze door de gebeurtenissen, ze maken een karakterontwikkeling door.

Dit noemen we een:
rond karakter

Slide 10 - Slide

This item has no instructions

Aan de slag!
Pak je schrift of open een word bestand. Over zou jij een verhaal kunnen schrijven? Sla je opdracht op! 
Oefening:
Schrijf de naam van je personage neer.
Daaronder schrijf je alles op wat je van hem/haar weet.
Karaktereigenschappen, woonsituatie, broers, zussen, hobby's sporten, school, werk .... etc ... Misschien komt er ook een scene in je hoofd op?

Slide 11 - Slide

Help leerlingen op weg met karaktereigenschappen. 
Durf je een stap verder?
Pak je schrift of open een word bestand. En start! Ga gewoon lekker typen. Schrijf jij een realistisch of niet realistisch verhaal? Een spannend, avontuurlijk of juist romantisch verhaal? Probeer eens een opening te schrijven. Wordt jouw verhaal een totaal verzonnen verhaal? In een wereld die wij niet kennen? Dan moet je met een heleboel rekening houden. Denk aan Harry Potter. De schrijver heeft een hele wereld 'op papier' moeten bouwen. Alles klopt. Je kan ook fan fiction schrijven. Dan gebruik je de wereld van een bekend boek. De lezer kent dan de gebruiken en regels al. 

Slide 12 - Slide

Help leerlingen op weg met karaktereigenschappen. 
Leerdoelen
  • Je kent de begrippen fictie en non-fictie.
  • Je weet wanneer een verhaal realistisch of niet realistisch is.

  • Je weet hoe je personages kunt beschrijven
  • Je kent het verschil tussen tussen een rond en plat personage.

Slide 13 - Slide

This item has no instructions