STOFWISSELING · GASWISSELING
Examentraining
Organen en gaswisseling: zo pak je examenvragen aan
STOFWISSELING · GASWISSELING
Examentraining
Organen en gaswisseling: zo pak je examenvragen aan
Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: Wagner Souza e Silva / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0
STOFWISSELING · GASWISSELING
Wat ga je kunnen?
Ik kan met gegevens over volumes, drukken en bouw een vraag over ademhaling beantwoorden en mijn antwoord onderbouwen.
This item has no instructions
STOFWISSELING · GASWISSELING
Zo pak je een examenvraag aan
1. Lees: wat wordt er gevraagd en welke gegevens (volume, druk, bouw) staan in de opgave?
2. Zoek: het juiste begrip, bijvoorbeeld vitale capaciteit, restvolume of zuurstofdruk.
3. Verbind: bouw met functie, of een drukverschil met de richting van diffusie.
4. Schrijf: een kort antwoord met eenheid, of met 'omdat' bij een verklaring.
This item has no instructions
Spirogram met longcapaciteit, vitale capaciteit en restvolume (eigen voorbeeld)
STOFWISSELING · GASWISSELING
Vraagtype 1: rekenen met longvolumes
Lees volumes af op de verticale as en let op de eenheid: liter (L) of milliliter (mL).
Vitale capaciteit = longcapaciteit min restvolume.
Van de ingeademde lucht bereikt alleen het deel buiten de dode ruimte de longblaasjes.
Schrijf het antwoord met eenheid op.
Image credit: Eigen afbeelding
Long 6,0 L, restvolume 1,2 L: vitale capaciteit?
Antwoord: 4,8 L (6,0 L min 1,2 L). Verwachte fout: 6,0 L noemen, de longcapaciteit, of de eenheid vergeten.
Je ademt 500 mL lucht in en de dode ruimte is 150 mL. Hoeveel mL bereikt de longblaasjes?
350 mL
650 mL
150 mL
500 mL
Het deel in de dode ruimte doet niet mee aan gaswisseling: 500 min 150 is 350 mL. Verwachte fout: optellen, of de dode ruimte als antwoord geven.
STOFWISSELING · GASWISSELING
Vraagtype 2: bouw en functie verklaren
Noem eerst het kenmerk van de bouw, bijvoorbeeld groot oppervlak of dunne wand.
Koppel er daarna de functie aan: wat gaat daardoor beter?
Gebruik 'omdat' of 'daardoor' en noem het begrip uit de les.
Voorbeeld: veel haarvaten bij een longblaasje houden het drukverschil in stand.
This item has no instructions
Waarom is een heel dunne wand van een longblaasje handig?
Er past meer bloed in de wand
Slijm kan er sneller doorheen
Gassen leggen een korte afstand af bij diffusie
De lucht blijft er langer in
Een dunne wand betekent een korte diffusieafstand. Verwachte fout: denken dat de wand ruimte maakt voor meer bloed.
Waarom heeft een long zoveel longblaasjes?
Samen hebben ze een groot oppervlak, zodat er veel gaswisseling per seconde kan plaatsvinden. Verwachte fout: alleen zeggen dat er meer lucht in past.
STOFWISSELING · GASWISSELING
Vraagtype 3: diffusie met drukgegevens
Gas diffundeert van de plek met de hoogste druk naar de plek met de laagste druk.
Opgave: zuurstofdruk in de lucht van de longblaasjes 13 kPa, in bloed dat de long in stroomt 5 kPa.
Opgave: koolstofdioxidedruk in de lucht van de longblaasjes 5 kPa, in bloed dat de long in stroomt 6 kPa.
Vergelijk steeds de twee drukken en bepaal de richting.
This item has no instructions
Koolstofdioxide: bloed 6 kPa, longblaasje 5 kPa. Welke kant op diffundeert het?
Van de longblaasjes naar het bloed
Er is geen diffusie, want het verschil is te klein
Van het bloed naar de longblaasjes
Van de bronchiën naar de haarvaten
De druk is in het bloed (6 kPa) hoger dan in de longblaasjes (5 kPa), dus diffusie naar de longblaasjes. Verwachte fout: de richting omdraaien omdat het verschil klein is.
Op grote hoogte is de zuurstofdruk van de lucht lager. Wat is het gevolg voor de opname?
Het drukverschil wordt kleiner, dus minder zuurstof het bloed in
Het drukverschil wordt groter, dus meer zuurstof het bloed in
De zuurstof diffundeert het bloed uit
De opname verandert niet, want hemoglobine pompt
Een lagere zuurstofdruk in de longblaasjes geeft een kleiner drukverschil met het bloed en dus minder diffusie. Verwachte fout: denken dat ademen de druk in het bloed niet beïnvloedt.
STOFWISSELING · GASWISSELING
Vraagtype 4: samenhang en verstoring
Een verstoring in één orgaan heeft gevolgen voor andere organen.
Redeneer in een keten: wat doet het orgaan, wat gaat er mis, wat merkt het volgende orgaan?
Bij ademen: ademhalingsspieren, longvolume, druk, lucht in de longen, zuurstof in het bloed.
Schrijf elke stap op en gebruik het woord 'daardoor'.
This item has no instructions
Iemand heeft te weinig hemoglobine in het bloed. Wat is het gevolg?
Er diffundeert meer zuurstof de cellen in
De vitale capaciteit wordt kleiner
De dode ruimte wordt groter
Het bloed vervoert minder zuurstof naar de weefsels
Hemoglobine bindt zuurstof, dus minder hemoglobine betekent minder zuurstoftransport. Verwachte fout: de longvolumes laten veranderen, die hangen af van de longen en niet van het bloed.
Zwak middenrif: waarom is inademen moeilijk?
Het middenrif spant minder goed aan, de borstholte wordt minder groot, de druk daalt minder en er stroomt minder lucht naar binnen. Verwachte fout: alleen zeggen dat de longen niet werken.
Welk vraagtype vind jij het lastigst?
Rekenen met longvolumes
Bouw en functie verklaren
Diffusie met drukgegevens
Samenhang en verstoring
Bespreek het vraagtype met de meeste stemmen kort na met een voorbeeld.
STOFWISSELING · GASWISSELING
Tips voor op het examen
Schrijf bij een berekening altijd de eenheid op: L of mL.
Gas diffundeert van hoge naar lage druk: vergelijk steeds twee drukken.
Gaswisseling vindt alleen plaats in de longblaasjes, niet in luchtpijp of bronchiën.
Bij 'verklaar' noem je een kenmerk van de bouw en de functie die daardoor beter werkt.
This item has no instructions