Weefsels

Weefsels

Anatomie & Fysiologie

1 / 18
next
Slide 1: Slide
New lesson editorVerzorgingMBOStudiejaar 1

This lesson contains 18 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min
Report this lesson

Items in this lesson

Weefsels

Anatomie & Fysiologie

Lesagenda

Vandaag:

  • Theorie

  • Kennischeck

  • Thieme Meulenhoff

  • Anatomie Online

Lesdoelen

Na deze les kun je:

  • de vier basistypen weefsel benoemen;

  • uitleggen hoe dekweefsel is opgebouwd en wat de functie is;

  • uitleggen hoe bind-/steunweefsel is opgebouwd en wat de functie is;

  • uitleggen hoe spierweefsel is opgebouwd en wat de functie is;

  • uitleggen hoe zenuwweefsel is opgebouwd en wat de functie is.

Terugblik op gisteren - Juist of Onjuist

Bespreek met degene naast je. Is de uitspraak juist of onjuist?


  1. Het celmembraan regelt welke stoffen de cel in en uit gaan.

  2. Het DNA van een cel zit in het cytoplasma.

  3. Mitochondriën helpen energie uit voedingsstoffen beschikbaar te maken voor de cel.

  4. Een gewone lichaamscel heeft 46 chromosomen.

  5. Mitose is nodig voor groei, vervanging en herstel van lichaamscellen.

  6. Bij meiose ontstaan geslachtscellen met 46 chromosomen.

  7. Veel cellen met ongeveer dezelfde taak vormen samen een weefsel.



Terugblik op gisteren - Juist of Onjuist

  1. Het celmembraan regelt welke stoffen de cel in en uit gaan.
    → Juist

  2. Het DNA van een cel zit in het cytoplasma.
    → Onjuist: het DNA zit bij de meeste lichaamscellen in de celkern.

  3. Mitochondriën helpen energie uit voedingsstoffen beschikbaar te maken voor de cel.
    → Juist

  4. Een gewone lichaamscel heeft 46 chromosomen.
    → Juist

  5. Mitose is nodig voor groei, vervanging en herstel van lichaamscellen.
    → Juist

  6. Bij meiose ontstaan geslachtscellen met 46 chromosomen.
    → Onjuist: geslachtscellen hebben 23 chromosomen.

  7. Veel cellen met ongeveer dezelfde taak vormen samen een weefsel.
    → Juist


Wat is een weefsel?

Een weefsel is een groep cellen die samen dezelfde soort taak uitvoeren.


Voorbeelden:

  • spiercellen samen → spierweefsel → zorgt voor beweging;

  • zenuwcellen samen → zenuwweefsel → geven signalen door.


Verschillende soorten weefsel vormen samen een orgaan.


Voorbeeld:
Het hart bestaat uit verschillende soorten weefsel, zoals spierweefsel en zenuwweefsel. Samen zorgen ze ervoor dat het hart goed werkt.


Kort onthouden:
cellen → weefsels → organen

De vier basistypen weefsel

In je lichaam zijn er vier belangrijke soorten weefsel:


  • Dekweefsel → bedekt en beschermt
    bijv. huid en binnenkant van de mond


  • Bind- en steunweefsel → verbindt, ondersteunt en geeft stevigheid
    bijv. bot, kraakbeen en vetweefsel


  • Spierweefsel → kan samentrekken en zorgt voor beweging
    bijv. spieren en het hart


  • Zenuwweefsel → ontvangt en geeft signalen door
    bijv. hersenen, ruggenmerg en zenuwen


Elk soort weefsel heeft dus zijn eigen taak in het lichaam..

Dekweefsel

Dekweefsel bestaat uit cellen die dicht tegen elkaar aan liggen.
Het vormt een beschermende laag aan de buitenkant én bekleedt delen aan de binnenkant van het lichaam.


Functies van dekweefsel:

  • beschermen tegen beschadiging en uitdroging;

  • oppervlakken bedekken en bekleden;

  • stoffen opnemen, bijvoorbeeld in de darmen;

  • stoffen afgeven, bijvoorbeeld via klieren.


Waar vind je dekweefsel?

  • Huid → vormt de buitenste beschermlaag van het lichaam en helpt tegen beschadiging en uitdroging.

  • Mond en slokdarm → bekleedt de binnenkant en beschermt tegen wrijving van eten en drinken.

  • Darmen → bekleedt de darmwand en helpt voedingsstoffen uit het voedsel op te nemen.

  • Luchtwegen → bekleedt de binnenkant; slijm en trilhaartjes helpen stof en vuil weg te voeren.

  • Bloedvaten → vormt een gladde binnenbekleding, zodat het bloed goed kan stromen.

  • Klieren → maakt en geeft stoffen af, bijvoorbeeld zweet uit zweetklieren en speeksel uit speekselklieren.


Kort onthouden:
dekweefsel = bedekken, beschermen, opnemen en afgeven.

Bind- en steunweefsel

Bind- en steunweefsel zorgt ervoor dat delen van het lichaam bij elkaar blijven, steun krijgen en beschermd worden.


Wat is bijzonder aan dit weefsel? De cellen liggen vaak niet strak tegen elkaar aan. Tussen de cellen zit tussenstof.


Die tussenstof bepaalt hoe het weefsel is:

  • hard → bij bot;

  • stevig maar buigzaam → bij kraakbeen;

  • zacht/vullend → bij bind- en vetweefsel;

  • vloeibaar → bij bloed.


Voorbeelden

  • Bindweefsel → verbindt en houdt weefsels en organen op hun plek.
    Bijv. rondom organen en tussen verschillende weefsels.

  • Vetweefsel → slaat energie op, houdt warmte vast en beschermt organen.

  • Kraakbeen → geeft steun, maar kan ook een beetje buigen.
    Bijv. in je neus, oor en gewrichten.

  • Botweefsel → is hard en sterk en geeft het lichaam stevigheid.
    Bijv. je botten beschermen ook organen.

  • Bloed → is ook een vorm van bindweefsel.
    De tussenstof is hier vloeibaar: bloedplasma.


Kort onthouden:
bind- en steunweefsel = verbinden, steunen en beschermen.

Spierweefsel

Spierweefsel bestaat uit spiercellen die kunnen samentrekken en ontspannen.
Daardoor kan er beweging ontstaan.


Er zijn 3 soorten spierweefsel:

  • Skeletspierweefsel → zorgt voor beweging van je lichaam.
    Bijv. spieren in je armen en benen.

  • Glad spierweefsel → zorgt voor beweging in organen, zonder dat je daar bewust over nadenkt.
    Bijv. in de darmen en bloedvaten.

  • Hartspierweefsel → laat het hart steeds samentrekken en ontspannen.
    Daardoor wordt bloed door het lichaam gepompt.


Kort onthouden:
spierweefsel = samentrekken → beweging

Zenuwweefsel

Zenuwweefsel zorgt ervoor dat informatie snel door het lichaam wordt doorgegeven.


Waaruit bestaat het?

  • Zenuwcellen (neuronen) → ontvangen en geven signalen door.

  • Steuncellen → helpen, voeden en beschermen de zenuwcellen.


Waar vind je zenuwweefsel?

  • Hersenen → verwerken informatie en sturen het lichaam aan.

  • Ruggenmerg → geeft signalen door tussen hersenen en lichaam.

  • Zenuwen → brengen signalen van en naar verschillende delen van het lichaam.


Voorbeeld:
Je raakt iets heets aan → zenuwen geven snel een signaal door → je trekt je hand weg.


Kort onthouden:
zenuwweefsel = signalen ontvangen, verwerken en doorgeven.

De vier weefseltypen op een rij

Welk weefsel bedekt en beschermt oppervlakken?

A

Spierweefsel

B

Dekweefsel

C

Zenuwweefsel

D

Bindweefsel

Welk weefsel zorgt voor beweging door samen te trekken?

A

Spierweefsel

B

Dekweefsel

C

Zenuwweefsel

D

Vetweefsel

Kraakbeen en bot horen bij:

A

Dekweefsel

B

Zenuwweefsel

C

Bind-/steunweefsel

D

Spierweefsel

Wat is de belangrijkste functie van zenuwweefsel?

A

Beschermen

B

Prikkels en signalen doorgeven

C

Energie opslaan

D

Beweging veroorzaken

Aan de slag

1. Groepsopdracht – Jullie zijn de docent

Werk eerst met je groepje aan de opdracht die je van de docent hebt gekregen.

Klaar met de groepsopdracht? Ga dan verder met:


2. Thieme Meulenhoff – Weefsels

Ga naar:

Module 2 → Hoofdstuk 2: Weefsels

  • Lees de theorie.

  • Maak de bijbehorende verwerkingsopdrachten.


3. Nog iets van gisteren openstaan?

Heb je Hoofdstuk 1: Cellen in Thieme nog niet af?

→ Maak deze dan daarna verder af.


4. Geen toegang tot Thieme?

Ga dan naar Anatomie Online en oefen met het onderdeel Weefsels.

Werk in deze volgorde en zorg dat je openstaande opdrachten afrondt.



Afsluiting

  1. Welke 4 soorten weefsel heb je vandaag geleerd?

  2. Noem bij 1 soort weefsel een voorbeeld waar je het in het lichaam vindt.

  3. Welk weefsel zorgt voor beweging?

  4. Welk weefsel geeft signalen door?

  5. Wat vond je vandaag nog lastig of onduidelijk?


Niet af?
Maak de verwerkingsopdrachten van Module 2 – Hoofdstuk 1 en 2: Cellen en Weefsels thuis verder af.