Paso Adelante - Cap 2 - En camino - les 1, 2, 3

¡Bienvenidos! (Welkom !)
Maandag 19 oktober.
Welkom terug bij de les Spaans!

Vandaag:
- ronden we hoofdstuk 1 af (vakantie / ontmoeten)
- starten we met hoofdstuk 2 (de stad / onderweg)
1 / 50
next
Slide 1: Slide
SpaansMiddelbare schoolmavoLeerjaar 1

This lesson contains 50 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 10 min
Report this lesson

Items in this lesson

¡Bienvenidos! (Welkom !)
Maandag 19 oktober.
Welkom terug bij de les Spaans!

Vandaag:
- ronden we hoofdstuk 1 af (vakantie / ontmoeten)
- starten we met hoofdstuk 2 (de stad / onderweg)

Slide 1 - Slide

Nakijken huiswerk hoofdstuk 1

Oefenblad hoofdstuk 1 - de allerlaatste opdrachten

> opdracht 24, 25, 26

Dit was niet verplicht, maar we kijken het wel samen na.

Slide 2 - Slide

Toetsje hoofdstuk 1

Je krijgt wel een O-V of G, maar dit komt NIET in Magister.

Je maakt dit om te kijken wat je hebt geleerd en
wat je nog beter kunt oefenen.

Schrijf met pen op het blad.

Slide 3 - Slide

Capítulo 2 - En camino (op weg)
Na dit hoofdstuk kun je:

- gesprekken verstaan tussen vrienden/vriendinnen
- een gesprek in een winkel verstaan
- een weblog/chatbox lezen
- vragen waar iemand woont
- de weg vragen

Slide 4 - Slide

Capitulo 2 - En camino (op weg)
Na dit hoofdstuk ken je:

- ken je de namen van gebouwen en winkels
- de vraagwoorden
- de vervoeging van het werkwoord ESTAR
- kun je regelmatige werkwoorden op -ar, -ir en -er vervoegen
- woorden om je huis mee te beschrijven

Slide 5 - Slide

Capítulo 2 - En camino (op weg)
Pak je tekstboek erbij - hoofdstuk 2 - En Camino

Pagina 19 - bron A

We gaan luisteren naar een gesprekje.
Ik stop na elke zin om te vertalen.
Schrijf de woorden op dit je niet kent.

Slide 6 - Slide

Wat betekent dit woord in de tekst:
'¡Encantada!'?

Slide 7 - Open question

Wat betekent dit woord in de tekst:
'La vecina'

Slide 8 - Open question

Wat betekent dit woord in de tekst:
'madrileña'

Slide 9 - Open question

Wat betekent dit woord in de tekst:
'delante de'

Slide 10 - Open question

¡Bienvenidos! (Welkom !)
Maandag 26 oktober.
Welkom bij de les Spaans!

Vandaag:
- bespreken we het toetsje van cap 1
- gaan we verder met hoofdstuk 2 (de stad / onderweg)

Slide 11 - Slide

Capítulo 2 - les 2 
Vandaag

- oefenen we nog een keer wat je lastig vond in het toetsje
- bespreken we het huiswerk
- leer je gebouwen en winkels in het Spaans kennen
- leer je de Spaanse vraagwoorden
- leer het het werkwoord ESTAR

Slide 12 - Slide

Capítulo 2 - herhaling
Lidwoorden

Meld je aan bij de game (link > naam invoeren)
en wacht op mijn teken voor dat je op Start klikt >

Probeer zo snel mogelijk te antwoorden!

Slide 13 - Slide

Capítulo 2 - herhaling
Persoonlijke voornaamwoorden

Meld je aan bij de game (link > naam invoeren)
en wacht op mijn teken voor dat je op Start klikt >

Probeer zo snel mogelijk te antwoorden!

Slide 14 - Slide

Capítulo 2 - herhaling
Het werkwoord SER (zijn)

Meld je aan bij de game (link > naam invoeren)
en wacht op mijn teken voor dat je op Start klikt >

Probeer zo snel mogelijk te antwoorden!

Slide 15 - Slide

Capítulo 2 - En camino - les 2
Verder met hoofdstuk 2

Bron C: de stad Betanzos - pagina 20

We lezen samen de tekstjes onder de foto's.
Opdracht:
> Schrijf de woorden op die je niet kent.
> Noteer de gebouwen die je op de foto's ziet.

Slide 16 - Slide

Schrijf de woorden op die je niet kent en zet de vertaling erachter.

Slide 17 - Slide

Wat betekent 'La iglesia'?
A
Kathedraal
B
Warenhuis
C
Drogisterij
D
Kerk

Slide 18 - Quiz

Wat betekent 'La tienda de ropa'?
A
De kledingwinkel
B
De tentenwinkel
C
De markt
D
De snoepwinkel

Slide 19 - Quiz

Wat betekent 'El banco'
A
De slaapbank
B
Het banket
C
Het bankje
D
De bank

Slide 20 - Quiz

Wat betekent 'La carnecería'?
A
Slager
B
De kapper
C
Dierenwinkel
D
De sportschool

Slide 21 - Quiz

Capítulo 2 - Les 2 - Vraagwoorden

De vraagwoorden in het Spaans.

<- Dat is een woord dat aan het 
begin van een vraag staat ->

Welke weet je nog uit hoofdstuk 1?

Slide 22 - Slide

Welke vraagwoorden
ken je in het Spaans?

Slide 23 - Mind map

Capítulo 2 - Les 2 - Vraagwoorden
De bekendste vraagwoorden in het Spaans.


Slide 24 - Slide

Capítulo 2 - Les 2 - Vraagwoorden
• Omgekeerde leestekens:
Een vraag begint altijd met een omgekeerd vraagteken (¿)
en eindigt met een normaal vraagteken (?).

• Accenttekens:
Alle Spaanse vraagwoorden krijgen altijd een accentteken!
Cómo, qué, dónde

¿Dónde están mis zapatos?
(waar mij mijn schoenen?)

Slide 25 - Slide

Capítulo 2 - Les 2 - Vraagwoorden
Vandaag leren we de vier makkelijste:


Slide 26 - Slide

Sleep de  vraagwoorden naar de juiste zin.
¿... quieres comer?<div>(....wil je eten)</div>
¿.... comes sin tenedor?<div>(... eet je zonder vork?)</div>
¿... estás?<div>(Hoe gaat het met je?)</div>
¿... está tu teléfono?<div>(... is je telefoon?)</div>
Cómo
Cuándo
Dónde
Por qué

Slide 27 - Drag question

Welk vraagwoord past in deze zin?

¿ _____________ está tu escuela? (plaats)
...... staat jouw school ?
A
Cómo
B
Cuándo
C
Por qué
D
Dónde

Slide 28 - Quiz

Welk vraagwoord past in deze zin?

¿ _____________ te llamas? (wijze/manier)

A
Cómo
B
Cuándo
C
Por qué
D
Dónde

Slide 29 - Quiz

Kies het juiste vraagwoord.

¿....no comes carne? (reden)
.... eet je geen vlees?
A
cómo
B
por qué
C
cuándo
D
dónde

Slide 30 - Quiz

Welk vraagwoord?

¿ .... vamos a comer? (tijd)
(.... gaan we eten?)

En veinte minutos.
(over 20 minuten)
A
Dónde
B
Cómo
C
Por qué
D
Cuándo

Slide 31 - Quiz

Ik ken de vier vraagwoorden:

cómo, cuándo, por qué, dónde
A
B
C
D

Slide 32 - Quiz

¡Bienvenidos! (Welkom !)
Maandag 2 november.
Welkom bij de les Spaans!

Vandaag:
-> gaan we verder met hoofdstuk 2 
(de stad / onderweg)

Slide 33 - Slide

Wat gaan we doen?
- nakijken van het huiswerkopdracht 5, 7, 8, 9 en 11

- vraagwoorden herhalen

- het werkwoord ESTAR en met verschil met SER

- gesprekjes voeren > de weg vragen

Slide 34 - Slide

Capítulo 2 - les 3 - Herhalen vraagwoorden
Je kent de vier makkelijkste, even herhalen.


Slide 35 - Slide

Welk vraagwoord past in deze zin?

¿ _____________ está tu escuela? (plaats)
...... staat jouw school ?
A
Cómo
B
Cuándo
C
Por qué
D
Dónde

Slide 36 - Quiz

Welk vraagwoord past in deze zin?

¿ _____________ te llamas? (wijze/manier)

A
Cómo
B
Cuándo
C
Por qué
D
Dónde

Slide 37 - Quiz

Kies het juiste vraagwoord.

¿....no comes carne? (reden)
.... eet je geen vlees?
A
cómo
B
por qué
C
cuándo
D
dónde

Slide 38 - Quiz

Welk vraagwoord?

¿ .... vamos a comer? (tijd)
(.... gaan we eten?)

En veinte minutos.
(over 20 minuten)
A
Dónde
B
Cómo
C
Por qué
D
Cuándo

Slide 39 - Quiz

Capítulo 2 - Les 3 - Werkwoord Estar
Je gebruik ESTAR
als iets tijdelijk is en niet voor altijd !


1. als je wilt vertellen waar je bent: Estoy en el baño

2. als vertelt wat je aan het doen bent: Estoy caminando

3. als je vertelt wat je voelt: Estoy triste.

Slide 40 - Slide

Capítulo 2 - Verschil SER/ESTAR

Slide 41 - Slide

¿Ser o Estar?
"En el bosque .... 10 osos (beren) ".
A
están
B
son

Slide 42 - Quiz

Kies ser of estar:
"Tu ...... mi hermana".

Slide 43 - Open question

¿estar o ser?
"El instituto ..... a la izquierda de la piscina"
(links van het zwembad)
A
está
B
son

Slide 44 - Quiz

¿estar o ser?

La casa ........ muy bonita
A
está
B
es

Slide 45 - Quiz

Kies uit estar/ser

Isabella y yo ............ en la calle.
A
somos
B
estamos

Slide 46 - Quiz

Kies ser of estar:
Brenda y yo ___________ amigas.

Slide 47 - Open question

ser of estar?

Mi padre ....... en la cocina (keuken).
A
es
B
está

Slide 48 - Quiz

Kies ser of estar:
Mis padres __________ de Rotterdam.

Slide 49 - Open question

Capítulo 2 - Les 2 - Sleutelzinnen

Frases claves (bron E)

Slide 50 - Slide