Woordenquiz: beroepen, plekken & dingen

Quiz: beroepen, plekken & dingen

1 / 30
next
Slide 1: Slide
New lesson editorNederlandsISK

This lesson contains 30 slides, with interactive quizzes and text slides.

Report this lesson

Items in this lesson

Quiz: beroepen, plekken & dingen

Doel van deze les

Aan het eind van deze les kun je de betekenis van veel woorden. Ook kun je de woorden goed schrijven. Je kunt de woorden bij de plaatjes zoeken.

Beroepen



dokter

meester

bakker

kapper

Plekken

Wat staat er op de zolder?


schilderij

voetbal

zooi


Waar kun je op zitten ?

Wat stuur je weg? Of krijg je soms van de post?

Sleepvraag



Knie

Tong

Vinger

Pols

Sleepvraag



knie

tong

vinger

pols

Lichaamsdelen: vul het juiste woord in

Ik laat vier foto’s zien. Op foto 1 zie je een knie. Op foto 2 zie je een tong. Op foto 3 zie je een vinger. Op foto 4 zie je een pols.

knie
tong
vinger
pols
arm
neus
voet
oor
elleboog

Dingen in het lokaal

Klas, klok, krant. Waar zie je deze dingen?

Eten en drinken

Taart, rijst, groentesoep. Welke vind jij lekker?

Bijzondere dingen

Ring, bril, broek. Kun je uitleggen wat het is?

Kleuren en vormen

Kort, groot, jong, oud.

Vormen

Bruin, grijs, rood, zwart.

Kleuren

Lastige woorden met kn- en kr-

krat, kraan, krant, kruk.

knie, knoppen, knip, knoeien.

kr-

kn-

Woorden met -ng en -nk

bank, plank, links, winkel, drinken.

gang, bang, jong, hangen, jongen.

-nk

-ng

Sleepvraag: lichaamsdelen

Sleep het juiste woord naar het juiste plaatje: knie, tong, vinger, pols.

Typopdracht: beroepen

Bekijk het plaatje en typ het juiste beroep: dokter, bakker of meester.

Sleepvraag: alles over kleuren

Sleep de woorden naar het juiste kleurvlak: rood, bruin, grijs, zwart.

Typopdracht: dingen in huis

Typ het juiste woord bij het plaatje: deur, klok, zolder, gang.

Sleepvraag: eten en drinken

Sleep deze woorden naar het juiste plaatje: taart, soep, rijst.

Typopdracht: sport en vrije tijd

Typ het juiste woord: voetbal, rugtas, zwembad, sportschoen.

Open vraag 1

Schrijf een zin met het woord: vinger.

Open vraag 2

Wanneer heb jij hoofdpijn? Schrijf je antwoord.

Open vraag 3

Wat doe je als je dorst hebt?

Open vraag 4

Waar zie je een bakker? Schrijf het op.

Open vraag 5

Noem een plek waar je een vriend ontmoet.

Einde van de quiz

Goed gedaan! Welke woorden vond je lastig? Bespreek het in de klas.

Schrijf 3 dingen op die je deze les hebt geleerd.

Schrijf 2 dingen op waarover je meer wilt weten.

Stel 1 vraag over iets dat je nog niet zo goed hebt begrepen.