Argumenteren niveau 4 leerjaar 2

Argumenteren
1 / 28
next
Slide 1: Slide
NederlandsMBOStudiejaar 2

This lesson contains 28 slides, with interactive quizzes, text slides and 2 videos.

Items in this lesson

Argumenteren

Slide 1 - Slide

Argumenteren

Slide 2 - Mind map

Doel van de les
Ik weet welke vormen van argumentatie er zijn.
Ik weet welke argumentatiestructuren er zijn. 
Ik begrijp de begrippen tegenargumentatie en weerlegging
Ik herken de signaalwoorden die horen bij argumentatie en tegenargumentatie

Slide 3 - Slide

Slide 4 - Video

Argumentatie
  • feiten
  • onderzoek of wetenschap
  • normen en waarden
  • vermoedens
  • geloof of overtuiging
  • gezag of autoriteit
  • nut

Slide 5 - Slide

4 vormen van argumenteren
  1. Enkelvoudige argumentatie
  2. Meervoudige argumentatie
  3. Nevenschikkende argumentatie
  4. Onderschikkende argumentatie

Slide 6 - Slide

Bij enkelvoudige argumentatie onderbouw je je standpunt met één argument.

Slide 7 - Slide

Bij meervoudige argumentatie gebruik je meer dan één argument. Ieder argument is extra en staat los van de andere argumenten. Meervoudige argumentatie is de sterkste argumentatiestructuur.

Slide 8 - Slide

Bij nevenschikkende argumentatie vormen twee deelargumenten samen een argument. De argumenten onderbouwen samen het standpunt. Als je een van de twee ontkracht, klopt je argumentatie niet meer.

Slide 9 - Slide

Bij onderschikkende argumentatie ondersteunt een argument een ander argument.

Slide 10 - Slide

Slide 11 - Slide

0

Slide 12 - Video

Feitelijke argumenten

Een feitelijk argument is waar of onwaar en hoeft niet onderbouwd te worden.

Voorbeeld
Ik ga morgen naar de film kijken in Luxor, want die bioscoop is bij mij om de hoek.


Slide 13 - Slide

Waarderende argumenten

Over een waarderend argument kan je van mening verschillen en daarom moet zo’n argument ondersteund worden.

Voorbeeld

- Ik ga morgen naar de film kijken in Luxor, want die bioscoop vind ik veel prettiger .

Met het argument ‘want die bioscoop vind ik veel prettiger’ zal niet iedereen het eens zijn en dat argument behoeft ondersteuning. Argumenten die je daarvoor zou kunnen aanvoeren zijn bijvoorbeeld: ‘de stoelen zijn er erg prettig’ en ‘op elke stoel heb je goed zicht op het filmdoek’.

Slide 14 - Slide


Argumenten kun je herkennen aan signaalwoorden. Woorden als want, omdat, en immers geven aan dat er een argument volgt.

Of aan de woorden ik vind....., ik ben van mening...

Slide 15 - Slide

Weerlegging

Een argument dat laat zien dat een argument zwak of onwaar is noemen we een weerlegging.

                                                                      Voorbeeld:

Het is fijn dat de aarde opwarmt, want dan kunnen we in ons eigen land lekker veel zonnen (argument voor). Maar de kans dat je huidkanker krijgt,, wordt daardoor wel een stuk groter (argument tegen). Als je je echter genoeg insmeert met zonnebrandolie en niet te lang in de zon blijft,  is er niets aan de hand (weerlegging).

Slide 16 - Slide

Een onderschikkende argumentatie bestaat altijd maar uit één argument bij het standpunt.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 17 - Quiz

Het WVC is een goede school. De leerlingen halen goede cijfers.
A
enkelvoudige argumentatie
B
meervoudige argumentatie
C
onderschikkende argumentatie
D
nevenschikkende argumentatie

Slide 18 - Quiz

Hij is geschikt voor deze baan als operateur, want hij heeft al 5 jaar werkervaring. Hij werkte hiervoor immers in dezelfde functie bij een Cinema Opera.
A
enkelvoudige argumentatie
B
meervoudige argumentatie
C
onderschikkende argumentatie
D
nevenschikkende argumentatie

Slide 19 - Quiz

Het WVC is een goede school. In de bovenbouw hangt een goede sfeer en in de onderbouw voelt iedereen zich veilig.
A
enkelvoudige argumentatie
B
meervoudige argumentatie
C
onderschikkende argumentatie
D
nevenschikkende argumentatie

Slide 20 - Quiz

De smartphone is onmisbaar. Je kan er nu bijna overal geld mee overmaken.
A
feitelijk argument
B
waarderend argument

Slide 21 - Quiz

Utrecht is een prettige stad om te wonen. Er wonen in Utrecht veel jonge gezellige mensen.
A
feitelijk argument
B
waarderend argument

Slide 22 - Quiz

Slide 23 - Link

Argumentatiestructuur
- Argumentatie: het geheel van standpunt en argumenten
- Argumentatiestructuur: hoe de argumentatie geordend is

                            -> Dit kan op drie manieren:

1.Enkelvoudige argumentatie: een standpunt met één argument
2.Nevenschikkende of meervoudige
argumentatie
:
een standpunt met twee of meer argumenten

3. Onderschikkende argumentatie: een standpunt met een argument
dat door één of meer
subargumenten ondersteund wordt

NB: er kunnen meerdere
argumentatiestructuren gebruikt worden ter ondersteuning van een standpunt


Slide 24 - Slide

Enkelvoudige argumentatie

Standpunt 

 

Argument



Voorbeeld:

Het 7e uur op vrijdag moet afgeschaft worden.

    

Want de leerlingen hebben daar helemaal geen zin in.



Slide 25 - Slide

Nevenschikkende argumentatie

    Standpunt 

                               

argument / argument / argument


Voorbeeld:

   Het 7e uur op vrijdag moet afgeschaft worden.

                                                                                                                                                       

De leerlingen hebben er geen zin in. / Daarnaast zijn er ook geen studie-uren. / Bovendien is het dan altijd lekker weer.



Slide 26 - Slide

Onderschikkende argumentatie

Standpunt

  ↑

Argument

  

Argument


Voorbeeld:

Het 7e uur op vrijdag moet afgeschaft worden.
                    ↑              

De leerlingen hebben er dan helemaal geen zin meer in.

                               ↑                       

Dat heeft een negatief effect op de leeropbrengst.



Slide 27 - Slide

Slide 28 - Slide