Spelling: Interpunctie

Spelling
Interpunctie
1 / 21
next
Slide 1: Slide
NederlandsMBO

This lesson contains 21 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

Spelling
Interpunctie

Slide 1 - Slide

Wat gaan we vandaag doen?


  • Theorie: Interpunctie - Directe en indirecte rede
  • Oefening: Interpunctie - Directe en indirecte rede
  • Theorie: Interpunctie - Komma
  • Oefening: Interpunctie - Komma
  • Zelfstandig aan de slag

Slide 2 - Slide

DRIE VRAGEN
Theorie: Directe rede

Slide 3 - Slide

Directe en indirecte rede
1. Directe rede: je schrijft woord voor woord op wat iemand zegt. Dit noem je ook wel een citaat. Je gebruikt aanhalingstekens.
Jasmijn zei: 'Ik ga vanmiddag mijn wiskunde leren.'

2. Indirecte rede: je omschrijft wat iemand zegt en werkt niet met aanhalingstekens.
Jasmijn zei dat ze vanmiddag haar wiskunde gaat leren. 

Slide 4 - Slide

Regels bij directe rede
Er zijn 3 verschillende vormen/volgordes mogelijk:

1.  Je zegt eerst wie spreekt.
2. Je citeert eerst en dan zeg je wie spreekt.
3. Je onderbreekt het citaat.

Per onderdeel volgt er hierna uitleg en voorbeelden.

Slide 5 - Slide

1. Als je eerst zegt wie spreekt
Mick zei: 'Ik lust wel een tosti.'
Mick vroeg: 'Mag ik een tosti?'
Mick riep: 'Geef mij nu een tosti!'

Let op: dubbele punt, hoofdletter, aanhalingstekens en punt/komma/vraagteken/uitroepteken binnen de aanhalingstekens.

Slide 6 - Slide

2. Als je eerst citeert en dan zegt wie er spreekt
'Jij gaat vandaag aan het werk', zei mijn moeder.
'Moet jij vandaag aan het werk?', vroeg mijn moeder.
'Ga aan het werk!', riep mijn moeder.

Let op: Hoofdletter, aanhalingstekens en punt/komma/vraagteken/uitroepteken binnen de aanhalingstekens en de komma na het citaat buiten de aanhalingstekens.

Slide 7 - Slide

3. Als je het citaat onderbreekt
Dat kan op twee manieren:

De zin loopt door:
'Weet je', zei Max, 'je bent mijn beste vriend.'

Het citaat bestaat uit verschillende zinnen:
'Weet je wat er is gebeurd?', vroeg Max. 'Mijn fiets is gestolen.'

Slide 8 - Slide

DRIE VRAGEN
3 vragen over de directe en indirecte rede

Slide 9 - Slide

De boze stiefmoeder vroeg aan de spiegel wie de mooiste van het land is.
A
Directe rede
B
Indirecte rede

Slide 10 - Quiz

De spiegel antwoordde: 'U bent de mooiste van het land.'
A
Directe rede
B
Indirecte rede

Slide 11 - Quiz

Zet de juiste interpunctie in de zin.
breng sneeuwwitje naar het bos en dood haar riep de boze koningin

Slide 12 - Open question

DRIE VRAGEN
Theorie: Komma

Slide 13 - Slide

Komma: wanneer?
1. Zet een komma tussen twee werkwoorden die niet bij hetzelfde gezegde horen.

-Jan heeft gezorgd voor een taartje. (geen komma)
-Nadat Jan een taartje had gegeten, moest hij naar huis. (wel komma)

Slide 14 - Slide

Komma: wanneer?
2. Tussen een opsomming van bijvoeglijke naamwoorden.
Dit is een fijne, mooie fiets.

3. Tussen delen van een andere opsomming die je van plek kunt wisselen.
Als we op vakantie gaan, stoppen we handdoeken, zwemspullen en slippers in onze tassen. 

Slide 15 - Slide

Komma: wanneer?
4. Zet een komma voor de signaalwoorden maar, want, omdat, doordat, tenzij, terwijl, mits, zodat, zodra.
Ik ga pizza eten, want ik ben alleen thuis vanavond.

5. Voor of na een naam of uitroep aan het begin of aan het einde van een zin. 
'Sophie, kom eens helpen.'
'Ga nu eens opzij, joh!'

Slide 16 - Slide

Goed of fout?
Ik wil deze ongare, smakeloze cake niet eten.
A
Goed
B
Fout

Slide 17 - Quiz

Goed of fout?
Als je wint, heb je vrienden.
A
Goed
B
Fout

Slide 18 - Quiz

Goed of fout?
Joh, dat geeft toch niets.
A
Goed
B
Fout

Slide 19 - Quiz

Goed of fout?
Ik heb altijd water koekjes, een pen en een leesboek bij me.
A
Goed
B
Fout

Slide 20 - Quiz

Aan de slag


Oefening Directe en indirecte rede

Slide 21 - Slide