Grammatica woordsoorten havo 3 herhaling

Grammatica woordsoorten
- herhaling
zn, lw, ww, bn, vz, pers.vnw bez.vnw., aanw.vnw, vrag.vnw, onbep. vnw, tw, vw

1 / 23
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

This lesson contains 23 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 40 min

Items in this lesson

Grammatica woordsoorten
- herhaling
zn, lw, ww, bn, vz, pers.vnw bez.vnw., aanw.vnw, vrag.vnw, onbep. vnw, tw, vw

Slide 1 - Slide

Lidwoord (LW) - zelfstandig naamwoord (ZN)
Lidwoord (LW): de, het, een

De tas in het lokaal bevat een boek dat je nodig hebt.

Zelfstandig naamwoord (ZN): (namen van) mensen, dieren en dingen.

De tas in het lokaal is een Kipling. Peter heeft die gisteren in het nieuwe winkelcentrum van Emmen gekocht.

Slide 2 - Slide

Bijvoeglijk naamwoord (BN)
Een bijvoeglijk naamwoord (BN) zégt iets van een zelfstandig naamwoord. Het staat vaak vóór een zelfstandig naamwoord, maar erná als er sprake is van een naamwoordelijk gezegde.

Dat goudkleurige potlood kocht ik bij de Bruna.
Het potlood was goedkoop.
De ingekleurde pagina's in mijn boek zijn het mooist.
Ik houd echt van knallende kleuren!

Slide 3 - Slide

Voorzetsel (VZ)
Een voorzetsel (VZ) zet je meestal ergens vóór. Het hoort in een zinsdeel bij een (voor-)naamwoord. 

Tijdens het feest wilde Jochem niet dansen met Hilde.
Je boek ligt in de kast, op de stapel schriften.

Voorzetsels noem je ook wel 'kast- en feestwoorden', omdat je voorzetsels voor 'de kast' of 'het feest' kunt zetten.

Slide 4 - Slide

In het lokaal van mevrouw Jansen staan een deugdelijk smartboard en dertig stoelen.

Noem een bijvoeglijk naamwoord uit deze zin.
A
lokaal
B
mevrouw
C
deugdelijk
D
dertig

Slide 5 - Quiz

Tijdens het feest werd de drank van de conciërge uit de koelkast in de kantine gestolen.

Hoeveel voorzetsels staan er in deze zin?
A
1
B
2
C
3
D
4

Slide 6 - Quiz

Wegens omstandigheden is mijn restaurant vandaag gesloten.

Wat is waar?
A
omstandigheden=ZN vandaag=ZN
B
wegens=VZ omstandigheden=ZN
C
mijn=BN restaurant=ZN
D
omstandigheden=BN vandaag=ZN

Slide 7 - Quiz

Persoonlijk voornaamwoord (PERS.VNW)
Een persoonlijk voornaamwoord (PERS.VNW) duidt een persoon aan, zonder het bij naam te noemen. Ook 'het' is een PERS.VNW, wanneer je het door 'dat' kunt vervangen en het een apart zinsdeel vormt.

Wilde Jeline jou vandaag vragen om voor ons iets te halen?
Ik heb het niet gestolen! Dat boek is van mij

Je kunt een PERS.VNW meestal vervangen door 'Piet' of door 'Piet en Marie'. 

Slide 8 - Slide

Bezittelijk voornaamwoord (BEZ.VNW)
Een bezittelijk voornaamwoord (BEZ.VNW) geeft een bezit aan. Het staat meestal voor het voorwerp dat het bezit vormt. Soms wordt het zelfstandig gebruikt. Dan staat het bezit er niet bij.

Wie heeft mijn tas meegenomen? Dit is de zijne
Jouw spullen staan in je auto.

Je kunt een BEZ.VNW niet vervangen door 'Piet' of 'Piet en Marie'.

Slide 9 - Slide

Aanwijzend voornaamwoord (AW.VNW)
Een aanwijzend voornaamwoord (AW.VNW) 'wijst' een zelfstandig naamwoord aan of vervangt het (dan kun je het erachter zetten).

Die jongen uit H3G haalt voor natuurkunde zulke hoge cijfers.
Ik wil dit cadeautje niet. Ik wil dát! Het is zo'n leuk ding!

De belangrijkste aanwijzende voornaamwoorden zijn: die, dit, dat, deze, zo'n, zulk(e). Gebruik bij de-woorden die of deze en bij het-woorden dat of dit.

Slide 10 - Slide

Vragend voornaamwoord (VR.VNW)
Een vragend voornaamwoord (VR.VNW) 'vraagt' naar iets of iemand. Er zijn er vier: 'wie, wat, welke, wat voor (een)'. (Die laatste bestaat dus stiekem uit meer woorden.)

Wat heb je gedaan? Wat voor een overtreding was dat?
Weet je wie het gevraagd heeft?

Let op: vraagwoorden als 'waarom', 'wanneer' of 'hoe' zijn bijwoorden!


Slide 11 - Slide

Waarom zei jij dat ons feestje niet door zou gaan?

Wat is waar?
A
waarom=VR.VNW ons=PERS.VNW
B
waarom=VR.VNW ons=BEZ.VNW
C
ons=BEZ.VNW jij=PERS.VNW
D
ons=PERS.VNW jij=PERS.VNW

Slide 12 - Quiz

Wie heeft de roze stift gebruikt? Die is van mij!

Wat is waar?
A
Wie=VR.VNW mij=PERS.VNW
B
Wie=VR.VNW mij=BEZ.VNW
C
Die=AW.VNW mij=BEZ.VNW
D
Die=AW.VNW mij=PERS.VNW

Slide 13 - Quiz

Onbepaald voornaamwoord (O.VNW)
Een onbepaald voornaamwoord (O.VNW) noemt iets of iemand zonder te zeggen waarom of om wat het gaat. Het blijft dus 'vaag'. 'Iets' en 'iemand' zijn al onbepaalde voornaamwoorden.

Iedereen kan dat wel gezegd hebben!
Heb ik wat gezegd, dan?
Als je Emmen hebt gezien, heb je alles wel gezien.
Ik heb er verschillende geobserveerd.


Slide 14 - Slide

Telwoord (TW)
Een telwoord (TW) telt zaken. Het staat meestal voor hetgeen dat geteld wordt, maar soms staat het ook zelfstandig in de zin. Je moet er dan iets achter kunnen zetten wat geteld kan worden.

Mijn kat heeft vandaag vijf muizen gevangen.
Dit is al de derde keer dat hij dat doet.
Soms vangt hij ook wat musjes.
Daar ligt de laatste!




Slide 15 - Slide

Mag ik jou iets vragen?

'Iets'=
A
onbepaald voornaamwoord
B
telwoord

Slide 16 - Quiz

Vanmorgen heb ik wat zuurtjes gekocht.

'wat'=
A
onbepaald voornaamwoord
B
telwoord

Slide 17 - Quiz

Dat is de zoveelste fout die ik heb gemaakt.

'zoveelste'=
A
onbepaald voornaamwoord
B
telwoord

Slide 18 - Quiz

Voegwoord (VW)
Een voegwoord (VW) 'plakt' zinnen aan elkaar. Hoofdzinnen worden aan elkaar 'geplakt' door nevenschikkende voegwoorden. Onderschikkende voegwoorden plakken een bijzin aan een hoofdzin vast.

Peter wil nu naar Spanje, maar hij krijgt geen vrije dagen! (HZ+HZ)
Hoewel hij al oud is, springt onze teckel nog rustig op de bank. (BZ+HZ)
Wieke maakt het eten klaar als Ellen aan haar scriptie werkt. (HZ+BZ)

Slide 19 - Slide

Werkwoorden (HWW / ZWW / KWW)
Werkwoorden geven een handeling aan (ZWW), of koppelen een eigenschap aan het onderwerp in de zin (KWW). Een hulpwerkwoord (HWW) kun je weglaten uit een zin. Het is niet het belangrijkste werkwoord. Let op: de werkwoorden benoem je in samengestelde zinnen per deelzin apart!

's Middags fietst mevrouw De Haan naar de markt.
Zij is altijd vrolijk wanneer ze vertrekt.
De markt wordt van 13.00 tot 16.00 uur gehouden in het centrum.


Slide 20 - Slide

Heb jij altijd al motorcoureur willen worden?

Wat is waar?
A
Heb=HWW willen=HWW
B
Heb=HWW worden=KWW
C
Heb=ZWW willen=HWW
D
Heb=HWW worden=ZWW

Slide 21 - Quiz

Mag je vandaag weer fietsen, of ben je nog ziek?

Welk werkwoord is het KWW in deze samengestelde zin?
A
Mag
B
fietsen
C
ben

Slide 22 - Quiz

Einde

Slide 23 - Slide