module 1 les 1

les 1 
1 / 42
next
Slide 1: Slide
NederlandsISK

This lesson contains 42 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

les 1 

Slide 1 - Slide

Module 1:  Kennismaken 
1. Check-in & lesopzet
2. Kennismaken + Wat wil je leren?
3. Oefeningen 
4. Zinnen maken en tijden
5. Woordenschat + oefeningen
6. Luisteren 
7. Wat ga je dit weekend doen? 

Slide 2 - Slide

Slide 3 - Slide

Slide 4 - Slide

Wat is jouw leerdoel?
woordenschat, schrijven, spreken, gesprekken op werk enz.

Slide 5 - Open question

samen praten
  1. Op welke dagen werk je?
  2. Op welke dagen ben je vrij?
  3. Hoe laat begin je met werken?
  4. Hoe laat heb je koffiepauze?
  5. Hoe laat heb je lunchpauze?
  6. Wat doe je tijdens de pauze?
  1. Hoelang woon je in Nederland? Sinds ...
  2. Hoelang werk je bij dit bedrijf? Sinds ..
  3. Wanneer ben je geboren?
  4. Wanneer ben je jarig?
  5. Hoe laat sta je op?
  6. Hoe laat ga je slapen?

Slide 6 - Slide

Vul in: hebben
  1. Ik _______ een broer.
  2. Jij _______ een mooie fiets.
  3. Hij _______ een kat.
  4. Wij _______ les op maandag.
  5. Jullie _______ twee honden.

Slide 7 - Slide

Vul in: hebben
  1. ______ heb een rood boek.
  2. ______ hebt een leuke jas.
  3. ______ heeft een oude hond. (een man)
  4. ______ hebben les op donderdag. (meerdere mensen)
  5. ______ hebben een groot huis. (tegen meerdere personen)
  6. ______ heeft een afspraak met de dokter. (formeel)
  7. ______ heeft een zus. (een vrouw)

Slide 8 - Slide

Slide 9 - Slide

Slide 10 - Slide

Wat is de goede vorm van 'spellen'?
Ik ..... mijn naam.
A
spell
B
spel
C
speel
D
spellen

Slide 11 - Quiz

Wat is de goede vorm van 'beginnen'?
Wij ....... met ons werk.
A
begin
B
begint
C
beginen
D
beginnen

Slide 12 - Quiz

Schrijf de goede vorm van 'zeggen'
Joep ......: goedemorgen!

Slide 13 - Open question

Wat is de goede vorm van "werken"?
U ... in een groot bedrijf.

Slide 14 - Open question

Wat is de goede vorm van "lopen"?
.......jij even mee naar het magazijn?

Slide 15 - Open question

voorzetsels met tijd
  1. Sinds I voor drie jaar woont Pedro in Nederland
  2. Vanaf / na het begin van het jaar werkt hij bij Werkbedrijf.bv.
  3. ledere werkdag begint hij op / om 8 uur
  4. Van 8 uur om / tot 9 uur heeft hij werkoverleg.
  5. Tijdens I over het werkoverleg praten ze over het werk van de dag
  6. Na / rond het werkoverleg gaat Pedro naar het magazijn
  7. Op / rond 12.30 uur neemt Pedro pauze

Slide 16 - Slide

Slide 17 - Link

De volgorde van een zin
Kun je hier één zin van maken?
1 (wie)
2 (werkwoord)
3 (de rest)
De broers
koken
pasta.
De broers
koken
vanavond.
De broers
koken
in de keuken.

Slide 18 - Slide

Volgorde 
Wie
Werkwoord
Wanneer
Wat
Waar
(1) De broers
(2)koken
(3)vanavond
(4)pasta
(5)in de keuken

Slide 19 - Slide

Volgorde 





maken - hun huiswerk - vandaag - de leerlingen - in de les
Wie
Werkwoord
Wanneer
Wat
Waar
De leerlingen
maken
vandaag
hun huiswerk
(5)

Slide 20 - Slide

geslapen-ik-tot tien uur-heb

Slide 21 - Open question

in mijn bed - gisteren om 10 uur - ik - lag

Slide 22 - Open question

een paar dagen - ik - met vrienden - ga - naar Parijs

Slide 23 - Open question

Volgorde 





maken - huiswerk - vandaag - de leerlingen - in de les
Werkwoord
Wie
Wanneer
Wat
Waar
(1) Maken
(2)de leerlingen
vandaag(3)
(4)huiswerk
(5)in de les?

Slide 24 - Slide

? - de planten - vandaag - water -geef - jij

Slide 25 - Open question

oma - vandaag - is - ? - jarig

Slide 26 - Open question

jij - breng -? - de boodschappen -
naar oma-vandaag

Slide 27 - Open question

1. Mijn huis

Slide 28 - Open question

2. De tuin

Slide 29 - Open question

3. De kinderen

Slide 30 - Open question

4. Onze buren

Slide 31 - Open question

5. Wij koken

Slide 32 - Open question

6. Ik loop

Slide 33 - Open question

7. Zij

Slide 34 - Open question

8. Suzie heeft een......................en......

Slide 35 - Open question

9. We blijven...................omdat,

Slide 36 - Open question

1. Ik draag veiligheidsschoenen, ___ het is verplicht op de werkplek.
A
en
B
maar
C
want
D
of

Slide 37 - Quiz

2. Hij wil werken, ___ hij is ziek.
A
dus
B
maar
C
omdat
D
en

Slide 38 - Quiz

3. Het regent hard, ___ we werken binnen.
A
of
B
want
C
dus
D
en

Slide 39 - Quiz

6. Hij stopt met werken ___ hij moe is.
A
maar
B
en
C
omdat
D
of

Slide 40 - Quiz

7. De machine maakt een raar geluid, dus __________________________.

Slide 41 - Open question

8. Ik kom te laat op mijn werk, omdat __________________________.

Slide 42 - Open question