voornaamwoorden 3 psv/bzv/aw/vragend

1 / 20
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 2

This lesson contains 20 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

Slide 1 - Slide

Je leert/herhaalt:

1. Voornaamwoorden psv, bzv, awv en vragend.
2. Herhaling via vragen
3. Korte uitleg en zelf verder bestuderen via Classroom.

Slide 2 - Slide

Tijden van het werkwoord - Herhaling
Enkele leerlingen krijgen een papiertje met een zin of met de afkorting van een tijd.
Ik wijs een aantal leerlingen om de beurt aan. Lees de zin en geef de tijd van het werkwoord.

De overige leerlingen geven aan of het antwoord klopt.

Slide 3 - Slide

Tijden van het werkwoord - Herhaling
De twee leerlingen haalden een boek in de mediatheek.=o.v.t.
Ik ga naar huis.=o.t.t.
Zien in o.t.t.=ik zie
De leerlingen zouden naar huis gaan fietsen.=o.v.t.t.
De leerlingen uit de brugklas hebben net huiswerk opgekregen.=v.t.t.
Wij zullen naar de bioscoop gaan.=o.t.t.t
Gebruiken in o.v.t=ik gebruikte
Zijn in v.t.t.=Hij is geweest
Hebben in o.t.t.t.=ik zal naar het sportveld lopen.

Slide 4 - Slide

Slide 5 - Link


In welke tijd staat de volgend zin?
Ik zou op vakantie zijn gegaan.
A
voltooid tegenw. toekomende tijd
B
onvoltooid verleden tijd
C
voltooid verleden toekomende tijd.
D
voltooid verleden tijd

Slide 6 - Quiz


Zet het werkwoord in de onvoltooid verleden tijd (o.v.t.): Ik (rennen)
A
Ik had gerend
B
Ik rende
C
Ik ren
D
Ik heb gerend

Slide 7 - Quiz


Hoeveel persoonlijke voornaamwoorden?: De kinderen willen jou hun cadeautje geven.
A
1
B
2
C
3
D
geen

Slide 8 - Quiz


Hoeveel bezittelijke vnw? Haar jas hangt nog steeds aan die kapstok van jullie.
A
1
B
2
C
3
D
geen

Slide 9 - Quiz

Zoek op: Wat zijn voornaamwoorden?


  • Waarvoor gebruik je ze?
  • Hoeveel zijn er?
  • Hoe gebruik je ze in de zin?
  • Na 4 minuten met elkaar uitwisselen.

ZOEK
OP
timer
5:00

Slide 10 - Slide

Acht
Voornaamwoorden komen in plaats van zelfst.nw. of verwijzen ernaar.

Slide 11 - Slide

Persoonlijk voornaamwoord
Bezittelijk voornaamwoord
  • Personen/dingen
  • Twee rijtjes:
  •   als onderwerp (ik, jij etc.)
  •   als lijd.vw./meew. vw. (mij,         jou, hem etc.)
  • Staat zelfstandig in de zin
  • Vervang door eigen naam.
  • Van wie is iets.
  • Staat meteen voor zelfst. nw.
  • Kan zelfstandig voorkomen. Bijv.:de MIJNE.
  • Vervang door MIJN

Slide 12 - Slide

Vragend voornaamwoord
Aanwijzend voornaamwoord
  • Personen/dingen
  • Wie/wat/welk/wat voor
  • Begin van een zin
  • Middenin een zin
  • Waarom/wanneer etc.=bijwoorden
  • Wijst direct naar persoon/ding
  • Die/dit/dat/deze (zulke)
  • Staat voor zelfst.nw.
  • Kan zelfstandig voorkomen

Slide 13 - Slide

Wederkerend voornaamwoord
Wederkerig voornaamwoord
Wederkerende werkwoorden bestaan uit het werkwoord met ZICH.
Vervoeg je dat werkwoord dat past het ZICH zich aan aan het onderwerp.
Zich wassen=wederkerend ww.
Ik was ME=wederkerend vnw.
Jij wast JE= wederkerend vnw. 
Er is maar 1 wederkerig vnw.:
ELKAAR

Zij zien ELKAAR elke dag.

Slide 14 - Slide

Onbepaald voornaamwoord
Een onbepaald voornaamwoord geeft iets vaags of onduidelijks aan. 
Bijvoorbeeld: Niemand, iets, het.

Je weet niet precies waar het om gaat. 
De hoeveelheid is onduidelijk. 

Slide 15 - Slide

Slide 16 - Slide

Slide 17 - Video

Slide 18 - Slide

Ga naar Google Classroom van vandaag en oefen!

Slide 19 - Slide

Ga naar Google Classroom.
Bestudeer via de eerste link de voornaamwoorden
Bekijk de filmpjes en maak oefeningen.
SO taalkundig 16 februari 3e uur. Zet in Plenda!!

Slide 20 - Slide