3tm - voorbereiding Toets unité 4

Toets Unité 4: Rhône Alpes

Wat moeten jullie leren voor de toets van unité 4?


Pak jullie boeken, schrift en pen!


1 / 48
next
Slide 1: Slide
FransMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

This lesson contains 48 slides, with interactive quizzes, text slides and 2 videos.

Items in this lesson

Toets Unité 4: Rhône Alpes

Wat moeten jullie leren voor de toets van unité 4?


Pak jullie boeken, schrift en pen!


Slide 1 - Slide

Apprendre
  • Vocabulaire
  • Phrases

    Grammaire:
  • Imparfait
  • Werkwoorden leren: connaître, voir et venir

Slide 2 - Slide

Vocabulaire/Phrases
  • Hoe leren jullie woordjes en zinnen?

Slide 3 - Slide

Tips
  • Hardop leren en opschrijven
  • Overhoren
  • WRTS
  • Quizlet
  • Plaatje, verhaaltje of een ezelsbruggetje
  • Top 10 lijst met woorden die je altijd vergeet
  • Let op accenten en het geslacht van een woord!

Slide 4 - Slide

Zoek de volgende zinnen op in je boek!
  • Ik heb een afspraak met een vriendin
  • Hoe laat?
  • We zien elkaar om 6 uur.

Slide 5 - Slide

Réponses
  • J'ai rendez-vous avec une copine
  • A quelle heure?
  • On se voit à 6 heures.

Slide 6 - Slide

Slide 7 - Video

imparfait

Met welke 3 stappen maak je de imparfait?


1.  je neemt de nous vorm van de présent

2. je haalt -ons van de uitgang af

3. je voegt de goede imparfait uitgang toe

Slide 8 - Slide

Les verbes : connaître, voir et venir
  • Schrijf het werkwoord connaître op!!
    Présent, imparfait, passé composé, infinitief

Slide 9 - Slide

présent:

je connais = ik ken

tu connais = jij kent

il connait = hij kent

elle connait = zij kent

on connait = men kent; wij kennen

nous connaissons = wij kennen

vous connaissez = jullie kennen; u kent

ils connaissent = zij kennen

elles connaissent = zij kennen

 

passé composé:

j'ai connu = ik heb gekend, ik kende

imparfait:

je connaissais = ik kende

tu connais = jij kende

il connait = hij kende

elle connait = zij kende

on connait = men kende; wij kenden

nous connaissons = wij kenden

vous connaissez = jullie kenden; u kende

ils connaissent = zij kenden

elles connaissent = zij kenden

infinitif:
connaître = kennnen

Slide 10 - Slide

Slide 11 - Video

Venir - présent / tegenwoordige tijd
Nederlands
Frans
Ik kom
Je viens
Jij komt
Tu viens
Hij / Zij / Men komt
Il / Elle / On vient
Wij komen
Nous venons
Jullie komen / U komt
Vous venez
Zij komen
Ils / Elles viennent

Slide 12 - Slide

Welke vorm van venir hoort bij JE?
A
viens
B
viennent

Slide 13 - Quiz

Welke vorm van venir hoort bij ELLE?
A
viens
B
vient

Slide 14 - Quiz

Vertaal: zij komen
A
ils viennent
B
elles vennent
C
elles viennent
D
ils vennent

Slide 15 - Quiz

Vertaal: wij komen
A
vous venez
B
nous venons

Slide 16 - Quiz

Venir - passé composé
Nederlands
Frans
Ik ben gekomen
Je suis venu(e)
Jij bent gekomen
Tu es venu(e)
Hij is gekomen / Zij is gekomen / Men is gekomen
Il est venu / Elle est venue / On est venu(e)(s)
Wij zijn gekomen
Nous sommes venu(e)s
Jullie zijn gekomen / U ben gekomen
Vous êtes venu(e)(s)
Zij zijn gekomen
Ils sont venus / Elles sont venues
Let op: venir wordt met être vervoegd, dus je moet soms iets aan het voltooid deelwoord toevoegen

Slide 17 - Slide

Vertaal in het Frans: Hij is gekomen
A
On est venu
B
Il est venu

Slide 18 - Quiz

Vertaal in het Frans: Wij zijn gekomen
A
Nous sommes venu(e)s
B
Vous êtes venu(e)(s)

Slide 19 - Quiz

Vertaal in het Frans: U bent gekomen
A
Vous êtes venus
B
Vous êtes venu

Slide 20 - Quiz

Klaar?
Apprendre 6 + 7
of oefenen imparfait
https://learningapps.org/4320315

Slide 21 - Slide

Le verbe "Voir"
(= zien)

Slide 22 - Slide

Wat betekent "voir"?

Slide 23 - Open question

Voir: zien
Ik zie = je vois
Jij ziet = tu vois
Hij/zij ziet = il/elle voit
Wij zien = nous voyons
Jullie zien / u ziet = vous voyez
Zij zien = ils/elles voient

Slide 24 - Slide

Je
Tu
Il
Nous
Vous
Ils
voyons
voient
voit
vois
vois
voyez

Slide 25 - Drag question

Ik zie
A
Je vois
B
Je voit
C
Je voie
D
Je voi

Slide 26 - Quiz

Jij ziet
A
Tu vois
B
Tu voit
C
Tu voie
D
Tu voist

Slide 27 - Quiz

Hij ziet
A
Il vois
B
Il voit
C
Il voie
D
Il voist

Slide 28 - Quiz

Wij zien
A
Nous voions
B
Nous voirons
C
Nous voyions
D
Nous voyons

Slide 29 - Quiz

Jullie zien/u ziet
A
Vous voiez
B
Nous voirez
C
Vous voyez
D
Vous voyiez

Slide 30 - Quiz

Passé composé van "voir"
J'ai vu          = ik heb gezien
tu as vu
il a vu
nous avons vu
vous avez vu
ils ont vu

Slide 31 - Slide

jij hebt gezien
A
j'ai voiré
B
tu as vu
C
j'ai vu
D
je suis vu

Slide 32 - Quiz

wij hebben gezien
A
nous avons vu
B
vous êtes vu
C
nous sommes voiré
D
nous sommes vu

Slide 33 - Quiz

u heeft gezien
A
nous avons vu
B
vous avez vu
C
ils ont vu
D
vous avez voiré

Slide 34 - Quiz

Monique heeft gezien
A
Monique est vu
B
Monique es vu
C
Monique as vu
D
Monique a vu

Slide 35 - Quiz

Chantal et Nicolas hebben gezien
A
Chantal et Nicolas ont vu
B
Chantal et Nicolas avons vu
C
Chantal et Nicolas sont vu
D
Chantal et Nicolas sommes vu

Slide 36 - Quiz

Imparfait van "Voir"

Stam = voy

Slide 37 - Slide

+ uitgangen imparfait
Je voyais
tu voyais
il voyait
nous voyions
vous voyiez
ils voyaient

Slide 38 - Slide

Wat betekent: je voyais

Slide 39 - Open question

wat betekent: ils voyaient

Slide 40 - Open question

jij zag
A
tu as vu
B
tu vois
C
tu voirais
D
tu voyais

Slide 41 - Quiz

wij zagen
A
nous voyions
B
nous voyons
C
nous vorions
D
nous voyiez

Slide 42 - Quiz

jullie zagen
A
nous voyions
B
vous voyions
C
vous voyiez
D
vous voyez

Slide 43 - Quiz

wat vond je van deze les?
😒🙁😐🙂😃

Slide 44 - Poll

Ken je het werkwoord "voir" in de présent?
😒🙁😐🙂😃

Slide 45 - Poll

Ken je het werkwoord "voir" in de
passé composé?
😒🙁😐🙂😃

Slide 46 - Poll

Ken je het werkwoord "voir" in de imparfait?
😒🙁😐🙂😃

Slide 47 - Poll

Slide 48 - Slide