Pijn en pijnbestrijding

Pijn......
1 / 41
next
Slide 1: Slide
Verpleging en verzorgingMBOStudiejaar 2

This lesson contains 41 slides, with interactive quizzes, text slides and 3 videos.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

Pijn......

Slide 1 - Slide

This item has no instructions

Lesdoelen
- Je kent het model van Loesser en kan benoemen wat het inhoudt.
- Je kunt de soorten pijn benoemen en hun oorzaken.
- Je kent min. 3 nieuwe meetinstrumenten voor pijn en kan ze uitleggen.
- Je kunt na het lezen van 1 van de artikelen benoemen welke behandelingen van pijn er zijn en wat hierbij aandachtspunten zijn.

Slide 2 - Slide

This item has no instructions

Pijn wat weet je en waar denk je aan?

Slide 3 - Mind map

This item has no instructions

Pijn is.....
  • Wat de cliënt zegt wat het is
  • Wanneer de cliënt zegt dat het is 
  • Een onplezierige sensorische en emotionele ervaring
  • Een waarschuwing 

Slide 4 - Slide

This item has no instructions

Noem enkele oorzaken van pijn...

Slide 5 - Open question

This item has no instructions

Oorzaken
Beschadiging van het lichaam
Infectie
Tumorgroei
Beknelling
Overbelasting
Vermoeidheid
Spanning en stress

Slide 6 - Slide

This item has no instructions

Wat is :
Acute pijn 
Chronische pijn 
Nociceptieve pijn 
Doorbraakpijn 
Neuropatische pijn
Wat is het en noem een voorbeeld!

5 min! Go!

Slide 7 - Slide

Acute pijn = pijn die plotseling optreedt
Chronische pijn = pijn die langer dan 3 - 6 maanden blijft
Nociceptieve pijn = pijn door weefselbeschadiging
Doorbraakpijn = pijn die door gegeven medicatie breekt
Neuropatische pijn: schade aan zenuwcellen, bijv. fantoompijn.
Acute pijn
  • Pijn die plotseling optreedt
  • Is daardoor waarschuwend, 
  • Duurt korter dan half jaar,
  • Is goed te behandelen 
  • Er is een duidelijke relatie tussen prikkel en pijn 



Slide 8 - Slide

Acute pijn = pijn die plotseling optreedt
Chronische pijn = pijn die langer dan 3 - 6 maanden blijft
Nociceptieve pijn = pijn door weefselbeschadiging
Doorbraakpijn = pijn die door gegeven medicatie breekt
Chronische pijn
  • Pijn die langer dan 3 - 6 maanden blijft (en heeft daardoor zijn waarschuwende functie verloren)
  • Rol van weefselbeschadiging kan variëren van duidelijk tot onduidelijk
  • Onder te verdelen in maligne pijn (t.g.v. tumoren, metastasen of kankerbehandeling) en niet- maligne pijn (pijn die niet samenhangt met een levensbedreigende ziekte)

Slide 9 - Slide

This item has no instructions

Slide 10 - Video

This item has no instructions

Nociceptieve pijn 
  • Is pijn door weefselbeschadiging
  • Bijvoorbeeld een wond of ontsteking
  • Deze pijn wordt ook wel weefselpijn genoemd: Bij weefselschade komen er stoffen vrij die kleine nociceptoren (pijnzenuwvezels) prikkelen. Nociceptoren zijn sensoren die weefselbeschadiging of dreigende weefselbeschadiging waarnemen. Zij sturen pijnsignalen naar de hersenen, waardoor we pijn voelen. 

Slide 11 - Slide

Nociceptieve pijn is pijn die ontstaat door schade aan weefsel, bijvoorbeeld bij een wond of ontsteking. Deze pijn wordt ook wel weefselpijn genoemd2. Bij weefselschade komen er stoffen vrij die kleine nociceptoren (pijnzenuwvezels) prikkelen12. Nociceptoren zijn sensoren die weefselbeschadiging of dreigende weefselbeschadiging waarnemen34. Zij sturen pijnsignalen naar de hersenen, waardoor we pijn voelen41. Nociceptieve pijn verschilt van neurogene pijn, omdat ze een andere behandeling vereist3.
Doorbraakpijn 
  • Is pijn die door gegeven medicatie heen breekt
  • Doorbraakpijn is pijn die plotseling opkomt en daarna weer verdwijnt of minder wordt. 
  • Het is vaak een plotselinge, tijdelijke verergering van pijn bij iemand met chronische pijn. 
  • De pijn komt soms meerdere keren per dag opzetten.

Slide 12 - Slide

This item has no instructions

Neuropatische pijn
  • Pijn door schade aan zenuwcellen.
  •  Door verwonding/operatie/beklemming/ziekte/behandeling
  • Reageert niet op gangbare pijnstiller.
  • Brandende/stekende/tintelende pijn, aangedaan gebied vaak overgevoelig.
  • Vaak behandeld met co-analgetica (tegen epilepsie/depressie)

Slide 13 - Slide

carpaal tunnel/hernia: beklemming
druk door gips/gezwel
ziekte: diabetes, ms, 
Behandeling: bijv. door chemo/bestraling
VB: fantoompijn, hernia, gordelroos, polyneuropathie

0

Slide 14 - Video

This item has no instructions

Slide 15 - Slide

This item has no instructions

Slide 16 - Slide

This item has no instructions

Slide 17 - Slide

This item has no instructions

Slide 18 - Slide

This item has no instructions

Slide 19 - Slide

This item has no instructions

Wat doet pijn met iemand?

Slide 20 - Slide

fascia: bindweefsel wat om al onze spieren, botten en organen en gewrichten heen geweven is

trigger point: spierknoop
Pijngedrag

  • Mannen en vrouwen gaan anders om met pijn
  • Pijn beïnvloedt ook de omgeving van degenen die lijdt
  • Pijn kan naast een lichamelijke of psychische context ook een cultuurgebonden iets zijn

Slide 21 - Slide

This item has no instructions

Slide 22 - Slide

This item has no instructions

Slide 23 - Slide

This item has no instructions

Numerieke schaal of pijn lineaal (NRS). Maar niet iedereen kan dit aangeven
Smile Analoge schaal (SAS). Is vaak gemakkelijker in te vullen

Slide 24 - Slide

This item has no instructions

Slide 25 - Slide

This item has no instructions

Opbouw van medicamenteuze pijnbestrijding; pijnladder van de WHO

Slide 26 - Slide

behandeling dor middel van zenuwbehandelingen + invasieve bestrijding

NSAID is een afkorting van Non-Steroidal Anti-Inflammatory Drugs (niet-steroïdale anti-ontstekingsmedicijnen). Deze pijnstiller wordt ingezet bij diverse reumatische aandoeningen om de pijn en ontstekingsreacties te bestrijden. Denk maar aan artrose, artritis psoriatica, slijmbeursontsteking, de ziekte van Bechterew, chondrocalcinose, fibromyalgie, jicht, reuma en reumatoïde artritis. In deze groep zitten o.a. Diclofenac, Naproxen en Ibuprofen. 

Slide 27 - Slide

This item has no instructions

Slide 28 - Slide

This item has no instructions

Informatie pijnmedicatie
Onder bestanden staat een mapje met 3 artikelen over pijnmedicatie, erg de moeite waar. Ik zet ze ook op studie informatie met deze lessonup (staat nog meer info in).

Slide 29 - Slide

This item has no instructions

Huiswerk
Onderzoek in de praktijk:

-Wat zijn signalen van pijn bij je cliënten?
-Hoe wordt dit geconstateerd en gemeten?
-Waar zitten de aandachtspunten?
-Waar zitten de valkuilen?
-Hoe kijk je wanneer mensen geen pijn kunnen aangeven?
Neem je bevindingen mee naar de les 





Slide 30 - Slide

This item has no instructions

Opdracht
Hoe kun je cliënten op jouw werk afleiden van pijn?
  • In groepen
  • Cart blanche 
  • Zoek uit (o.a. met gebruik kennisplein)

Probeer uit en leg uit in je groepje
Welke methode gebruikt? Koppel terug in de klas.

Slide 31 - Slide

This item has no instructions

Wat is de juiste volgorde
(Probeer voor je zelf te verbeelden wat er gebeurt als je bijv. je knie tegen een tafel stoot)
A
Pijngedrag, pijn gewaarwording, Pijnbeleving, Pijnprikkel
B
Pijnprikkel, Pijngedrag, Pijngewaarwording, Pijnbeleving
C
Pijnprikkel, Pijnbeleving, Pijngewaarwording, Pijngedrag
D
Pijnprikkel, Pijngewaarwording, Pijnbeleving, Pijngedrag

Slide 32 - Quiz

This item has no instructions

Pijn is ....
A
Objectief
B
Subjectief

Slide 33 - Quiz

This item has no instructions

Fantoompijn is..
A
Acute pijn
B
Chronische pijn

Slide 34 - Quiz

This item has no instructions

Het pijnbelevingsmodel heet
A
Model van Losser
B
Model van Loeser
C
Model van Pain
D
Model van VAS

Slide 35 - Quiz

This item has no instructions

Pijngewaarwording is ..
A
Een pijnprikkel
B
Bewust worden van de pijn
C
Hoe je met pijn omgaat
D
Therapie

Slide 36 - Quiz

This item has no instructions

Wat is het doel van het meten van pijn
A
Subjectieve gegevens objectief maken
B
Verlagen van het risico op chronisering van de pijn
C
Eenduidige communicatie
D
Alle antwoorden zijn van toepassing

Slide 37 - Quiz

This item has no instructions

Wat heeft de meeste invloed op het in stand houden van chronische pijn?
A
Weefselschade
B
Gedrag
C
Gedachtes

Slide 38 - Quiz

This item has no instructions

wat is de werking van een NSAID ?
A
pijnstillend
B
koortsverlagend
C
bacteriedodend
D
ontstekingsremmend

Slide 39 - Quiz

ibuprofen, naproxen, diclofenac 

niet -steroÏdale anti inflammatoire middelen
Wat is het belangrijkst bij pijnstilling voor de behandeling van chronische pijn?
A
innemen wanneer de pijn optreedt
B
kosten van het medicijn
C
De spiegelopbouw in het bloed
D
Vertrouwen hebben in het medicijn

Slide 40 - Quiz

This item has no instructions

Slide 41 - Video

This item has no instructions