les 53 deel 2 v wordt f en z wordt s

Werkwoorden met v of z
Schrijven is het hele werkwoord          Nooit v of z
Schrijven     Schrijf is de ik-vorm        aan het eind van een woord 
ik       
jij/je   + t
u        + t
hij/zij  + t
wij/jullie/zij hele ww
ik schrijf
jij schrijft   schrijf jij?
u schrijft
hij/zij schrijft
wij/jullie/zij schrijven
ik kies
jij kiest    kies jij?
u kiest
hij/zij kiest
wij/jullie/zij kiezen
1 / 27
next
Slide 1: Slide
NederlandsNT2ISK

This lesson contains 27 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 120 min

Items in this lesson

Werkwoorden met v of z
Schrijven is het hele werkwoord          Nooit v of z
Schrijven     Schrijf is de ik-vorm        aan het eind van een woord 
ik       
jij/je   + t
u        + t
hij/zij  + t
wij/jullie/zij hele ww
ik schrijf
jij schrijft   schrijf jij?
u schrijft
hij/zij schrijft
wij/jullie/zij schrijven
ik kies
jij kiest    kies jij?
u kiest
hij/zij kiest
wij/jullie/zij kiezen

Slide 1 - Slide

Ik .... in mijn agenda.
A
schrijv
B
schrijft
C
schrijf
D
schrijvt

Slide 2 - Quiz

Wij .... een wit bed.
A
kies
B
kiest
C
kiezen

Slide 3 - Quiz

Jij .... antwoord op de vraag.
A
geft
B
geeft
C
gevt
D
geevt

Slide 4 - Quiz

U .... een groene bank.
A
kiez
B
kies
C
kiest
D
kiezt

Slide 5 - Quiz

Jullie ........... de tekst en de opdracht.
A
leezen
B
leesen
C
lees
D
lezen

Slide 6 - Quiz

... jij met een potlood?
A
schrijft
B
schrijvt
C
schrijf
D
schrijv

Slide 7 - Quiz

Hij .... de zin goed.
A
lees
B
leest
C
lezen
D
leezt

Slide 8 - Quiz

De docenten .... Nederlandse les.
A
geeft
B
gefen
C
geven

Slide 9 - Quiz

Hoe .... ik jouw naam?
A
schrijf
B
schrijv
C
schrijft
D
schrijvt

Slide 10 - Quiz

Zinnen maken
Een gewone zin heet een hoofdzin.
Het werkwoord staat in een hoofdzin op de tweede plaats.

wie of wat
werkwoord
rest (wanneer, wat, waar)
Ik
kom
morgen.
We
moeten
naar school.
Zij
leest
een boek.
Hij
zit
op de bank.

Slide 11 - Slide

1 wie of wat
2 werkwoord
3 rest
(waar)
op de bank
zit
de buurman

Slide 12 - Drag question

1 wie of wat
2 werkwoord
3 rest
(wat)
de leerling
een leuk boek
leest

Slide 13 - Drag question

1 wie of wat
2 werkwoord
3 rest
(waar)
is
beneden
de woonkamer

Slide 14 - Drag question

1 wie of wat
2 werkwoord
3 rest
(wat of hoe)
met een potlood
schrijf
ik

Slide 15 - Drag question

1 wie of wat
2 werkwoord
3 rest
(waar)
woont
Aqian
op de derde verdieping

Slide 16 - Drag question

1 wie of wat
2 werkwoord
3 rest
(wat)
mijn straat
is
druk

Slide 17 - Drag question

1 wie of wat
2 werkwoord
3 rest
(waar)
de kinderen
liggen
in bed

Slide 18 - Drag question

1 wie of wat
2 werkwoord
3 rest
(wie of wat)
3 rest
(waar)
de telefoon
uit de tas
pakt
de jongen

Slide 19 - Drag question

1 wie of wat
2 werkwoord
3 rest
(wie of wat)
3 rest
(waar)
spreken
Nederlands
in de klas
we

Slide 20 - Drag question

1 wie of wat
2 werkwoord
3 rest
(wie of wat)
3 rest
(wanneer)
de laatste les
Ivan en Vlad
om 3 uur
hebben

Slide 21 - Drag question

1 wie of wat
2 werkwoord
3 rest
(wie of wat)
3 rest
(waar)
de opdracht
op het papier
maakt
Ali

Slide 22 - Drag question

1 wie of wat
2 werkwoord
3 rest
(wanneer)
3 rest
(waar)
gaat
een aantal maanden
naar België
Shepherd

Slide 23 - Drag question

1 wie of wat
2 werkwoord
3 rest
(wie of wat)
3 rest
(waar)
hebben
wij
op de computer
geen internet

Slide 24 - Drag question

1 wie of wat
2 werkwoord
3 rest (wanneer)
3 rest
(wie of wat)
3 rest
(waar)
met hun vrienden
de meisjes
in de aula
tijdens de lunch
eten

Slide 25 - Drag question

1 wie of wat
2 werkwoord
3 rest (wanneer)
3 rest
(wie of wat)
3 rest
(waar)
met Qia
Cristina
op de werkbladen
elke les
tekent

Slide 26 - Drag question

Nu een schrijfopdracht, ik wil goede zinnen zien!

Slide 27 - Slide