Identiteit

1 / 85
next
Slide 1: Slide
New lesson editorMaatschappij & WelzijnBuitengewoon secundair onderwijsA-stroomType 4Opleidingsvorm 4Leerjaar 2

This lesson contains 85 slides, with text slides.

Report this lesson

Items in this lesson

In deze lessenreeks ontdekken we dat identiteit bestaat uit verschillende aspecten , dat identiteit meervoudig en dynamisch is en dat deze aspecten zichtbaar worden in onze persoonlijke levensstijl.

LPD 5

We kunnen hiervan voorbeelden geven uit de eigen leefwereld en die van anderen.

Les 1: Wie ben ik?

Lesdoelen:


  • Ik kan in eigen woorden uitleggen wat identiteit is.

  • Ik kan identiteit en zelfbeeld van elkaar onderscheiden.

  • Ik kan aspecten van mijn eigen identiteit herkennen.

  • Ik begrijp dat identiteit uit verschillende lagen bestaat.

3

We spelen een spel!

KWALITEITENSPEL

VERSIE 1

Spelregels

  • Leg alle kwaliteitskaarten open op tafel. Zorg dat iedereen de kaarten goed kan zien.

  • Speler 1 kiest een kaart die volgens hem/haar goed past.

  • De speler leest de kaart voor en vult aan: “Ik kies deze kaart omdat ...”

  • Daarna kiest de andere speler een kaart en doet hetzelfde.

  • Speel verder tot elke speler 5 kaarten heeft gekozen.


5

Deze foto van Onbekende auteur is gelicentieerd onder CC BY-NC

Nabespreking

  • Heeft iedereen dezelfde eigenschappen gekozen?


  • Betekent dat dat iedereen anders is?


  • Wat maakt jou dan eigenlijk tot wie je bent? Geef voorbeelden.



  • Al deze dingen samen vormen wie jij bent. En dat noemen we ‘identiteit’.

6

Nabespreking

  • Stel dat er iemand nieuw in de klas komt. Wat willen jullie dan weten?









  •  Eigenlijk proberen jullie te ontdekken wie die persoon is.

  •  Je wilt zijn/haar identiteit ontdekken.


7

Wat is identiteit?

8

Opdracht 1: Mijn identiteit in 5 woorden

  • Wat moet je doen?

    • Open een leeg Word-document

    • Noteer als titel ‘Mijn identiteit in 5 woorden’ (vetgedrukt)

    • Noteer onder de titel ‘Ik ben …’

    • Maak daaronder een opsommingsteken aan: 1. – 2. – 3. – 4. – 5.

    • Beschrijf jezelf in 5 woorden

    • Nadien bespreken we het klassikaal

9

We kijken naar een filmpje …

Nabespreking

  • De manier waarop jij naar jezelf kijkt, noemen we je ‘zelfbeeld’.

  • Je zelfbeeld is net als je identiteit dynamisch. Het staat niet vast maar verandert constant gedurende je leven.

11

  • Wat gebeurt er in het filmpje?


  • Wat willen de makers van het filmpje duidelijk maken?


  • Wat is dat, je zelfbeeld?

Wat is je zelfbeeld?

12

Identiteit vs. zelfbeeld

  • Eenvoudig voorbeeld:

  • IDENTITEIT

  • Lotte:

  • Speelt basketbal.

  • Heeft een broer en een zus.

  • Houdt van muziek en speelt piano.


  • ZELFBEELD

  • Lotte denkt:

  • “Ik ben behulpzaam.”

  • “Ik ben een goede zus.”

  • “Ik speel nog niet zo goed piano als mijn vriendin.”


13

Opdracht 2: Spiegeloefening

  • Wat moet je doen?

    • Ga naar NokNok en log in

    • Zoek de oefening: spiegeloefening of neem deze link over: https://www.noknok.be/oefeningen/oefening?titel=spiegeloefening

    • Lees de opdracht – luister naar de leerkracht

    • Kijk rustig in de spiegel naar jezelf

    • Maak de spiegeloefening

    • Nadien bespreken we het klassikaal (niemand is verplicht om te delen!)

14

Aspecten van identiteit

15

  • Je identiteit is dynamisch en veelzijdig en bestaat uit een aantal lagen.

  • Er zijn verschillende soorten aspecten van identiteit maar wij zullen deze drie in de volgende lessen uitgebreid behandelen:

    • Persoonlijke identiteit

    • Groepsidentiteit of sociale identiteit

    • Online identiteit

Identiteit en persoonlijke levensstijl

16

  • Je identiteit zie je ook terug in je persoonlijke levensstijl:







Les 2: Mijn persoonlijke identiteit

Lesdoelen:


  • Ik kan in eigen woorden uitleggen wat persoonlijke identiteit is.

  • Ik kan het verschil tussen geslacht en gender uitleggen.

  • Ik kan aspecten van mijn eigen persoonlijke identiteit herkennen en benoemen.

  • Ik kan uitleggen wat waarden, normen, mening en referentiekader zijn.

  • Ik begrijp dat mijn persoonlijke identiteit gevormd wordt door mijn referentiekader en mijn mening.

17

19

Wat is persoonlijke identiteit?

Geslacht ≠ gender

20

Opdracht 3: Mijn uiterlijke kenmerken

  • Wat moet je doen?

    • Zoek een recente foto van jezelf en print/plak hem op het document dat je van de leerkracht krijgt (digitaal/papier).

    • Noteer minstens vijf uiterlijke kenmerken rond de foto.

    • Duid je vijf uiterlijke kenmerken aan op de foto met een pijltje.

    • Markeer de uiterlijke kenmerken waarmee je blij bent in het groen.

    • Markeer de uiterlijke kenmerken waarmee je minder blij bent in het rood.

    • Omcirkel de kenmerken die jou uniek maken.

21

Opdracht 4: Lichamelijke veranderingen kind versus nu

  • Wat moet je doen?

    • Zoek een foto van jezelf als kind en print/plak de foto in de linkerkolom.

    • Zoek een foto van jezelf nu en print/plak de foto in de rechterkolom.

    • Bestudeer aandachtig beide foto’s.

    • Vergelijk de foto’s met elkaar.

    • Noteer de gelijkenissen en verschillen op de volgende bladzijde.

22

Opdracht 5: Lichamelijke veranderingen

  • Stellingen

    • Ik ben veel kleiner/groter dan de anderen.

    • Mijn heupen/schouders worden breder.

    • Waarom heb ik puistjes en sommige helemaal niet?

    • Ik merk dat ik vrouwelijke rondingen begin te krijgen.

    • Mijn stem klinkt plots zo raar.

    • Ik heb behaarde benen/oksels.

    • Ik krijg op intieme plaatsen van mijn lichaam haren?!

    • Ik zweet soms als een otter!



23

OVUR: PUBERTEIT

  • OP PUNTEN !!!

  • Bundeltje te vinden op Smartschool

24

Opdracht 6: Mijn meervoudige identiteit

  • Wat moet je doen?

  • DEEL 1

    • Download het werkblad ‘opdracht 6 identiteitscirkel’ via Smartschool.

    • Maak een lijst van alle dingen die jou maken tot wie je bent. Denk aan zichtbare èn minder zichtbare eigenschappen.

Bijvoorbeeld: voetballer, Belg, danst graag, heteroseksueel, broer/zus, muziekliefhebber, spontaan, zorgend, gelovig, …

  1. Duid in je lijst met symbolen aan welke aspecten heel belangrijk zijn (++), belangrijk (+), redelijk belangrijk (+/-) en niet zo belangrijk (-) zijn.

    1. Nu gaan we aan de slag met onze identiteitscirkel!



25

Voorbeeld identiteitscirkel – Dalai Lama

26

Opdracht 6: Mijn meervoudige identiteit

  • Wat moet je doen?

  • DEEL 2

    • Verdeel de cirkel op je werkblad in stukken en schrijf bij elk stuk een aspect van jouw identiteit. Geef de dingen die heel belangrijk zijn een groter stuk, wat iets minder belangrijk is een kleiner stuk.

    • EXTRA: Maak de tweede cirkel op de achterkant.

    • Zijn er aspecten uit jouw identiteitscirkel (cirkel 1) die jou soms/vaak het gevoel geven “erbij te horen”? Noteer een 2-tal voorbeelden in de cirkel.

    • Zijn er ook aspecten die jou soms/vaak het gevoel geven er “niet bij te horen”? Noteer een 2-tal voorbeelden aan de buitenkant van de cirkel.



27

Opdracht 6: Mijn meervoudige identiteit

  • Wat moet je doen?

  • DEEL 3 NABESPREKING

    • Vond je het moeilijk om je cirkel te maken?

    • Hoe was het om je klasgenoot beter te leren kennen op basis van deze cirkel?

    • Heb je gemeenschappelijkheden ontdekt? Welke?

    • Vond je dat verrassend? Waarom wel/niet?

    • Waarom stellen we identiteit voor als een taartvorm, denk je?



28

Identiteit is meervoudig

  • Ieders identiteit bestaat uit verschillende stukjes of deelidentiteiten.

  • Niemand is ‘alleen maar’ voetballer of een creatieveling, Belg, Europeaan, Vlaming, Koerd, Spanjaard, gamer, enz.

  • Identiteit is een én-én verhaal is, geen of-of verhaal.

  • Iemand kan zich tegelijkertijd (bijvoorbeeld) Belg/Vlaming én (bijvoorbeeld) Marokkaan of Spanjaard voelen.

29

Kawtar en Stéphan over deelidentiteiten

30

  • Link:

  • https://www.youtube.com/watch?v=p6AP4Ey4u-E

Identiteit is dynamisch

  • MAAR!


  • Identiteit bestaat niet alleen uit verschillende deelidentiteiten, ze is ook heel dynamisch

  • We ontwikkelen een heel leven lang en sommige van onze deelidentiteiten kunnen ook nog veranderen.

  • Hoe belangrijk je een deelidentiteit vindt, kan ook verschuiven. Als je de oefening binnen een jaar opnieuw doet, ziet je taart er waarschijnlijk al een beetje anders uit!

31

Opdracht 7: Referentiekader

  • Wat moet je doen?

    • Werk per twee.

    • Eén van de 2 beeldt zich een huis in

    • De ander mag 5 vragen over het huis stellen

    • Vervolgens tekenen jullie allebei het huis dat je in gedachte hebt (zonder dit van elkaar te zien)

    • Tot slot tonen jullie je tekening aan elkaar.



32

Opdracht 8: Referentiekader

33

Wat bepaalt je persoonlijke identiteit?

34

Wat bepaalt je persoonlijke identiteit?

35

Opdracht 9: Feit of mening?

  • Wat moet je doen?

    • De leerkracht geeft je telkens een stelling.

    • Geeft ze een feit of een mening?

    • Steek het juiste kaartje in de lucht.

    • Achteraf leg je uit waarom het om een feit of mening gaat.

36

Les 3: Sociale identiteit

Lesdoelen:


  • Ik kan in eigen woorden uitleggen wat sociale identiteit is.

  • Ik kan uitleggen dat mijn identiteit kan beïnvloed worden door anderen.

  • Ik kan hiervan voorbeelden geven.

  • Ik kan met voorbeelden illustreren wat groepsvorming, identificatiegroepen, groepsdruk, eerste indruk, vooroordelen en stereotypen zijn.

  • Ik kan aantonen welke invloed bovenstaande zaken op de identiteit en levensstijl van jongeren kan hebben.


37

Sociale identiteit

38

  1. Groepsvorming

  2. Groepsdruk

  3. Eerste indruk

  4. Vooroordelen

  5. Stereotypen

Deze foto van Onbekende auteur is gelicentieerd onder CC BY

Sociale identiteit

39

Sociale identiteit

40

  • Identiteit is dus ook sociaal !

  • Je vormt je identiteit door in relatie te gaan met anderen, anderen vormen jouw identiteit door hoe ze naar jou kijken en je behandelen.

  • Niet enkel mensen die je leuk vindt, bepalen mee wie jij bent.

  • Ook de mensen die je minder leuk vindt, hebben invloed op jou.

41

1. Groepsvorming: identifcatiegroepen

42

  • Indentificatiegroep = groep waarbij je je thuis voelt.

  • Bijvoorbeeld:

Gezin

Vriendengroep

Sportclub

Online community

Klas

…


  • Die groepen beïnvloeden je levensstijl (kledij, muziek, waarden, vrije tijd, …)

= BEWUST OF ONBEWUST!

Opdracht 10: Bij welke groep hoort dit?

  • Wat moet je doen?

    • Lees de voorbeelden.

    • Geef bij elk voorbeeld welke identificatiegroep mogelijk invloed heeft gehad.

Kies uit: gezin – vriendengroep – sportclub – online community – klasgroep - …

  • !! Let op: Er kunnen soms meerdere antwoorden mogelijk zijn !!




43

Opdracht 11: Bewust of onbewust?

  • Wat moet je doen?

    • Lees de situaties.

    • Gebeurt de invloed van de groep bewust of onbewust?




44

Opdracht 11: Bewust of onbewust?

  • Wat moet je doen?

    • Lees de situaties.

    • Gebeurt de invloed van de groep bewust of onbewust?




45

Opdracht 12: Mijn cirkels van invloed

  • Wat moet je doen?

    • Download het werkblad op Smartschool

    • Je ziet 4 cirkels. In het midden sta jij: (IK)

    • Noteer personen of groepen in de juiste cirkel: tot welke identificatiegroep / persoon voel je je het meest verboden?

    • Bij elke persoon of groep noteer je één invloed: wat heb je van deze groep/persoon overgenomen?

Bv.: beste vriendin  we luisteren naar dezelfde muziek

Bv.: sportclub  we eten na elke match samen een stuk fruit




46

1. Groepsvorming: significante anderen

47

1. Groepsvorming: rollen in een groep

48

Opdracht 13: Waar of niet waar?

  • Steek je antwoord in de lucht (kaartje)

  • Je hebt in elke groep altijd dezelfde rol.

  • Als je veel steun krijgt, durf je vaak actiever deelnemen in de groep.

  • Een stille kracht is niet belangrijk voor een groep.

  • Je rol kan veranderen naargelang de groep.




49

Opdracht 14: Mini-casus A

  • Casus:

“Jens zit al vijf jaar bij dezelfde voetbalploeg. De andere spelers vragen vaak zijn mening en moedigen hem aan. Daardoor neemt hij soms de leiding tijdens trainingen.”


  • Vragen:

  1. Welke rol neemt Jens vaak op?

  2. Welke factor versterkt die rol?

  3. Geef een stukje tekst dat dit bewijst.




50

Opdracht 15: Mini-casus B

  • Casus:

  • “Amira durft veel zeggen in haar dansgroep, maar bijna niets in haar nieuwe klas.”


  • Vraag:

  • Waar hangt de rol van af?

□ verbondenheid met de groep
□ steun krijgen
□ ruimte krijgen om jezelf te zijn




51

2. Groepsdruk

52

Opdracht 16: Positieve of negatieve groepsdruk?

  • Je vrienden moedigen je aan om mee te gaan joggen.

  • Je klasgenoten lachen iemand uit en verwachten dat jij meedoet.

  • Je vriendengroep helpt je studeren voor een toets.

  • Je vrienden vinden dat je een energiedrank moet drinken omdat "iedereen dat doet".

  • Je teamgenoten moedigen je aan om niet op te geven tijdens een wedstrijd.

53

Opdracht 17: Stellingen - Jij ook?

  • “Ik koop soms kleding omdat mijn vrienden dat ook dragen.”

  • “Ik zou nooit iets doen wat ik eigenlijk niet wil.”

  • “Sociale media beïnvloeden mijn keuzes.”

  • “Als mijn vrienden iemand kwetsen, doe ik mee.”

54

Opdracht 18: Mini-casus

  • Casus:

  • Je vrienden willen na school iemand pesten in een groepschat.

  • Ze vragen of jij ook een bericht stuurt.

55

Opdracht 19: Eerste indruk

  • Wat moet je doen?

  • Jullie krijgen telkens een persoon te zien.

  • Je noteert het eerste wat in je opkomt bij het zien van de persoon:

Bv.: sportief / slim / verlegen / rustig / druk / …


  • Je mag drie woorden noteren over die persoon.

  • Daarna bekijken we jullie antwoorden.

56

Opdracht 19: Eerste indruk

  • Nabespreking

  • Welke woorden hebben jullie?

  • Welke woorden komen overeen?

  • Welke verschillen zijn er?

  • Waarop baseerden jullie zich?

64

Opdracht 19: Eerste indruk

  • BESLUIT

  • Vul aan.

  • Een eerste indruk ontstaat door ........................

  • Een eerste indruk is niet altijd juist omdat ........................

65

3. Eerste indruk

66

  • Een eerste indruk ontstaat in de eerste seconden op basis van wat we zien, horen of voelen.

  • We gebruiken bv. kleding, lichaamshouding, gezichtsuitdrukking en lichaamstaal om iemand in te schatten.


  • Wanneer we iemand beter leren kennen, kan die eerste indruk dus veranderen.


Opdracht 21: vooroordelen en stereotypen

  • Wat moet je doen?

  • Kijk naar het filmpje: https://www.youtube.com/watch?v=LqA2vYRJ8NM


  • Wat is een vooroordeel?  Voorbeeld?

  • Wat is een stereotype?  Voorbeeld?


67

4. Vooroordelen

68

  • Vanuit die eerste indruk ontstaan dan vooroordelen.


  • Een vooroordeel

= een oordeel vormen over iemand zonder dat je hem of haar kent.


  • Niet aangeboren maar aangeleerd: ontstaan vanuit je bril → je ervaringen, opvoeding, omgeving



5. Stereotypen

69

  • Een stereotype = een overdreven beeld van een groep mensen.

Voorbeeld: “Alle 60-plussers lopen met een wandelstok.”


  • Stereotypen zijn vaak niet juist !!

  • MAAR ze beïnvloeden hoe jongeren:

    • bepaalde groepen zien

    • zichzelf vergelijken

    • keuzes maken in hun levensstijl

Opdracht 22: Dubbelzicht

  • Wat moet je doen?

  • Speel de minigame bij Weblinks op Smartschool.

  • Sluit het spel niet af wanneer je alle duo’s hebt gevormd.

  • Lees de verhalen aandachtig.

  • Kies er één uit dat er voor jou uitspringt: waarom verraste dat verhaal je?

  • Kwam je eerste indruk van de foto’s overeen met de verhalen?

  • Was er een eerste indruk juist of gedeeltelijk juist?

70

Les 4: Online identiteit

Lesdoelen:


  • Ik kan in eigen woorden uitleggen wat online identiteit is.

  • Ik kan voorbeelden geven van hoe sociale media het zelfbeeld van jongeren kan beïnvloeden.

  • Ik kan voorbeelden geven van hoe mijn online identiteit invloed heeft op mijn persoonlijke levensstijl.

  • Ik kan voorbeelden geven van hoe mijn keuzes online beïnvloed wordt door externe factoren.

71

Opdracht 23: Wie heeft het leukste leven?

  • Wat moet je doen?

  • Bekijk de profielen:

    • Wie lijkt het gelukkigst?

    • Wie zou de meeste vrienden hebben?

    • Wie zou het meeste geld hebben?

    • Wie zou het populairst zijn?



72

Opdracht 24: Wat is online identiteit?

  • Wat moet je doen?

  • Neem het theoriebundeltje identiteit erbij.

  • Zoek in de theorie:

    • Wat is online identiteit?

    • Welke zaken tonen iets over je online identiteit?

    • Waarom is online identiteit niet altijd hetzelfde als de werkelijkheid?




73

  • ONLINE IDENTITEIT

  • = hoe jij jezelf toont op internet


  • Dat zie je aan:

    • gebruikersnaam

    • profielfoto

    • posts

    • filmpjes

    • gevolgde accounts



74

Online tonen we:

✅ leuke momenten

❌ minder vaak moeilijke

momenten


Opdracht 25: Online profiel

  • Wat moet je doen?

  • Bekijk het profiel van Noah.

  • Open een leeg Word-document.

  • Beantwoord de vragen:

    • Welke interesses heeft Noah?

    • Welke aspecten van zijn identiteit herken je?

    • Wat weet je NIET over Noah?

    • Waarom kan het gevaarlijk zijn om te snel conclusies te trekken?


75

76

Opdracht 26: Social media vs. zelfbeeld jongeren

  • Wat moet je doen?

  • Download het werkblad ‘opdracht 26’.

  • Lees de vragen.

  • Kijk naar het filmpje: https://schooltv.nl/video-item/wat-doen-social-media-met-je-zelfbeeld-onzeker-door-perfecte-plaatjes

  • Beantwoord de vragen.

77

78

Opdracht 27: Welke invloed?

  • Wat moet je doen?

  • Welke invloed zie je?

Keuze uit:

  • Pedagogie

    • Psychologie

      • Economie

      • Sociologie


79

80

Opdracht 28: Mijn online identiteit

  • Wat moet je doen?

  • Download het werkblad ‘opdracht 28’ op Smartschool.

  • Vul je online identiteit in.

  • Je hoeft het niet met de klas te delen.

81

Opdracht 29: Een gezonde online identiteit

  • Wat moet je doen?

  • Stel 5 gouden regels op voor een gezonde online identiteit.

  • Maak er samen een affiche van via Canva.

82

TOETS IDENTITEIT

  • Theoriebundel op Smartschool

  • PowerPoint ook op Smartschool

  • > BEGRIPPENLIJST ACHTERAAN KENNEN!


  •  De toets gaan door op …… / ……

83

BEGRIPPENLIJST (KENNEN!)

  • Identiteit = wie je bent + hoe je dat toont in je dagelijkse keuzes.

  • Zelfbeeld = hoe jij naar jezelf kijkt (positief zelfbeeld  negatief zelfbeeld).

  • Persoonlijke levensstijl = de manier waarop je leeft, kiest, doet, draagt, praat, denkt.

  • Puberteit = de periode waarin kinderen/jongeren zich tot volwassenen ontwikkelen en dus veel lichamelijke veranderingen doormaken. Dit gebeurt bij iedereen anders.

  • Persoonlijke identiteit = de dingen die jou uniek maken.

  • Sociale identiteit = de mensen en/of groepen die belangrijk voor je zijn en hoe jij bij hen bent.

84

BEGRIPPENLIJST (KENNEN!)

  • Online identiteit = hoe je jezelf toont op het internet.

  • Psychologie = de wetenschap die het gedrag en het innerlijke leven van mensen bestudeert. Het kijkt naar wat je voelt, hoe je denkt en wat je doet.

  • Pedagogie = de wetenschap en de praktijk van het opvoeden en begeleiden van kinderen en jongeren naar volwassenheid.

  • Sociologie = de wetenschap die de maatschappij, menselijk gedrag en sociale relaties tussen mensen bestudeert; groepsdruk, gedrag binnen een groep, …

  • Economie = alles wat te maken heeft met geld, werk, spullen, bedrijven en hoe we keuzes maken over wat we kopen en verkopen.

85