Voegwoorden
en, maar, of, dus, want
Voegwoorden
en, maar, of, dus, want
en
👉 Betekent: toevoegen.
Je gebruikt en om twee dingen bij elkaar te zetten.
Ik heb een hond en een kat.
Hij leest een boek en drinkt koffie.
maar
👉 Betekent: tegenstelling.
Je gebruikt maar als er iets anders komt dan je verwacht. (dat wat je denkt)
Ik wil naar buiten, maar het regent.
Hij is moe, maar hij werkt toch door.
of
👉 Betekent: keuze. (kiezen)
Je gebruikt of om een keuze te geven tussen twee (of meer) mogelijkheden.
Wil je koffie of thee?
Gaan we fietsen of wandelen?
dus
👉 Betekent: gevolg. (daarna)
Je gebruikt dus als er een logisch gevolg is van wat je eerst zegt.
Het regent, dus ik neem een paraplu.
Ze had honger, dus ze ging koken.
want
👉 Betekent: reden. (uitleg)
Je gebruikt want om uit te leggen waarom iets zo is.
Ik ga vroeg naar bed, want ik ben moe.
Hij blijft thuis, want hij is ziek.
Hij eet een appel .... een banaan.
maar
en
want
dus
Hij wil buitenspelen, .... het regent.
of
dus
maar
want
Het is koud ..... ik neem een jas mee naar buiten.
maar
en
want
dus
Wil je thee .... koffie.
of
dus
maar
want
Maak een zin met ''maar''
Hij blijft thuis ..... hij is ziek.
of
dus
maar
want
Zij gaat naar de bioscoop .... naar een restaurant.
maar
omdat
want
en
Maak een zin met ''of''
Hij verdient veel geld ..... hij is rijk
maar
en
want
dus
Ik ben moe ..... ik ga toch werken
of
dus
maar
want