1. Kijk, de/een dochter kan de/een godin helpen.
2. Zwoeg nu!/Jullie moeten nu zwoegen!
3. Jullie kunnen dus vele geschenken geven.
4. Mijn kinderen zijn zeer/erg boos.
5. Waarom dwaal je door de bossen?
6. Jullie zoon is ook bewonderenswaardig/schitterend.
7. Wij zien de/een grote overwinning.
8. Drink/jij moet drinken veel water!
9. Heb je eten/voedsel? 10. Luister meteen!/Jij moet meteen luisteren!