W2 - NE D: Herhaling persoonsvorm en onderwerp

Herhaling 
persoonsvorm en onderwerp
NE D
Zinsleer
1 / 21
next
Slide 1: Slide
NederlandsSecundair onderwijs

This lesson contains 21 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 25 min

Items in this lesson

Herhaling 
persoonsvorm en onderwerp
NE D
Zinsleer

Slide 1 - Slide

Ik vind de persoonsvorm (pv) met de tijdproef, congruentie of een vraagzin. (2.10)

Ik vind het onderwerp (o) met de wie/wat-vraag. (2.10)
"Nog niet = leren"
Wanneer iets niet van de eerste keer lukt, willen we vaak meteen opgeven. Toch is dit nodig om iets leren. Lukt het van de eerste keer? Dan ben je dus eigenlijk niet bezig met leren, maar kon je het al...
Wat moet ik kunnen aan het einde van deze taak?

Slide 2 - Slide

1. Lees de uitleg over hoe je de persoonsvorm in een zin kan vinden. 

2. Maak daarna de oefeningen.

Slide 3 - Slide

de persoonsvorm
= vervoegde vorm van het werkwoord
Vraagzin→ Maak van de zin een vraag. Zo komt de persoonsvorm (het werkwoord) vooraan.
voorbeeld: De hond blaft.     Blaft de hond?

Congruentie → Onderwerp en persoonsvorm passen bij elkaar.
voorbeeld: Enkelvoud: De hond blaft.   -   Meervoud: De honden blaffen.

Tijdsproef → Schrijf de zin in een andere tijd. De persoonsvorm verandert.
voorbeeld: tegenwoordige tijd: De hond blaft.   -   verleden tijd: De hond blafte.
 

Slide 4 - Slide

Slide 5 - Slide

Op de volgende slides staan enkele oefeningen om de pv aan te duiden in de zin. Succes!

Slide 6 - Slide

Wat is de pv?

De kat slaapt op de bank.
A
de kat
B
slaapt
C
op de bank
D
Er is geen pv.

Slide 7 - Quiz

Wat is de pv?

De leerlingen lezen boeken.
A
De leerlingen
B
boeken
C
lezen
D
Er is geen pv.

Slide 8 - Quiz

Wat is de pv?

Morgen komt hij.
A
Morgen
B
is
C
hij
D
komt

Slide 9 - Quiz

Wat is de pv?

Zij gaan naar school.
A
naar school
B
gaan
C
Zij
D
Er is geen pv.

Slide 10 - Quiz

Wat is de pv?

De hond blaft.
A
Er is geen pv.
B
De hond
C
blaft
D
is

Slide 11 - Quiz

1. Lees de uitleg over hoe je het onderwerp in een zin kan vinden. 

2. Maak daarna de oefeningen.

Slide 12 - Slide

het onderwerp
= degene(n) of datgene waarover de zin gaat
1. Stel de vraag: Wie of wat + persoonsvorm?
2. Het antwoord is het onderwerp.

Voorbeeld: 

De kat slaapt op de bank.
Wie of wat slaapt op de bank? De kat

'De kat' is het onderwerp in deze zin.

Slide 13 - Slide

Maak van de zinnen steeds een wie/wat-vraag om het o te vinden. 
Doe dit zoals het voorbeeld:

opdracht: De kat slaapt op de bank.
antwoord: Wie slaapt op de bank? De kat

 Succes!

Slide 14 - Slide

De leraar luistert aandachtig.

Slide 15 - Open question

Mijn vrienden kijken vanavond een film.

Slide 16 - Open question

In de pauze eten wij een broodje.

Slide 17 - Open question

De trein vertrekt om acht uur.

Slide 18 - Open question

In de klas werken de leerlingen stil.

Slide 19 - Open question

Maak nu een eigen zin. Noteer erbij wat de pv en wat het o is. Doe dit zoals het voorbeeld:
Tijdens deze eerste week op LAB hebben de leerlingen van 1A al veel geleerd.
pv = hebben
o = de leerlingen van 1A

Slide 20 - Open question

Sluit deze les af en ga terug naar de projectsite. Open de Bookwidget bij deze taak 
en maak die opdracht.

Slide 21 - Slide