TC les 1.7

Taalcompleet
A2 - thema 1

1 / 21
next
Slide 1: Slide
NederlandsISK

This lesson contains 21 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

Taalcompleet
A2 - thema 1

Slide 1 - Slide

Doel
  • Ik kan een goede hoofdzin maken
  • Ik kan gebruik maken van voegwoorden in een zin
en, maar, want, dus, of

Slide 2 - Slide

Programma
  • Zoek je maatje en maak de zin compleet.
  • Uitleg
  • wordwall--> in classroom: niveau A2 en B1!
  • vragen over voegwoorden en zelf zinnen maken
  • (stellingen)

Slide 3 - Slide

Zoek je maatje
Maak de zinnen compleet en blijf bij elkaar staan totdat iedereen een goede zin heeft. 

Slide 4 - Slide

Hoofdzinnen





In een hoofdzin staat het eerste werkwoord altijd op de tweede plaats.
wie of wat
De kat
Ik
We
eerste ww
springt
kan
delen
rest
op tafel.
 vandaag niet
een tuin.
tweede ww

werken.

Slide 5 - Slide

Je kan ook 2 hoofdzinnen aan elkaar maken.
De kat springt op de tafel en hij steelt mijn vlees.
Ik moet morgen werken, maar ik heb geen zin.
Mijn vader eet het liefst spaghetti, want mijn moeder maakt dit goed klaar.
Onze honden zwemmen graag in de zee, dus we gaan vaak naar het strand.
Ik ben heel moe, dus ik ga naar bed.

Slide 6 - Slide

Uitleg
en: toevoeging: iets of iemand erbij 
maar: tegenstelling  
want: reden
dus: gevolg
of: keuze

Slide 7 - Slide

Wordwall
A2                                                                           B1

Slide 8 - Slide

Ik heb een mooi nieuw huis, ... ik ben heel blij.
A
en
B
want
C
maar
D
dus

Slide 9 - Quiz

De woonkamer is ruim ... we hebben twee slaapkamers.
A
en
B
want
C
maar
D
dus

Slide 10 - Quiz

Ik wil graag een nieuwe keuken, ... ik heb geen geld.
A
en
B
want
C
maar
D
dus

Slide 11 - Quiz

Er is een bushalte dichtbij, ... ik ga meestal met de fiets naar mijn werk.
A
en
B
want
C
maar
D
dus

Slide 12 - Quiz

Ga je op de fiets ........ ga je liever met de bus?
A
en
B
want
C
maar
D
of

Slide 13 - Quiz

Ik wil met de fiets naar school, maar

Slide 14 - Open question

Ik lust graag pizza en

Slide 15 - Open question

Ik ga morgen naar de dokter, want

Slide 16 - Open question

Het is mooi weer, dus

Slide 17 - Open question

Ik ga met de bus, of

Slide 18 - Open question

Kies een stelling. 
Kies 1 stelling. Ben je het eens of oneens? Noem 3 redenen en gebruik hierbij voegwoorden. 

  1. Sportscholen moeten gratis zijn voor jongeren.
  2. De prijs van een pakje sigaretten moet omhoog naar 20€.
  3. Online gokken moet verboden worden.
  4. Het verzetten van de klok moet afgeschaft worden. 
  5. Suikerfeest moet een landelijke feestdag worden. 


en, maar, want, dus, of

Slide 19 - Slide

Terugblik

Slide 20 - Slide

Slide 21 - Slide