HAVO 2 par 3.1 LES 1 wat is de vraag

PARAGRAAF 3.1
Wat is de vraag?
20/02
1 / 38
next
Slide 1: Slide
EconomieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 2

This lesson contains 38 slides, with interactive quizzes, text slides and 2 videos.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

PARAGRAAF 3.1
Wat is de vraag?
20/02

Slide 1 - Slide

Lesdoel
  • wat is een markt
  • wat is het verschil tussen een concrete en een abstracte markt 
  • wat is de vraagzijde van de markt
  • hoe reken je met de vraagfunctie

Slide 2 - Slide

Lesdoel
  • wat is een markt
  • wat is een concrete markt en wat is een abstracte markt

Slide 3 - Slide

Slide 4 - Video

Soorten markten

Concrete markt: 
Een plaats waar kopers en verkopers bij elkaar komen om te handelen (marktplaats, supermarkt, Haagse markt) 
Abstracte markt: 
Vragers en aanbieders zijn niet op één plek bij elkaar (oliemarkt, aandelenmarkt) 

Een markt is het geheel van VRAAG en AANBOD

Slide 5 - Slide

Lesdoel
  • wat is de vraagzijde van de markt

Slide 6 - Slide

Betalingsbereidheid
Betalingsbereidheid : Wat kopers maximaal voor een product willen of kunnen betalen.

Dat kan per koper verschillen!
Jij vindt het heel normaal om een spel voor je playstation te kopen maar iemand anders kan datzelfde spel veel te duur vinden.
 

Slide 7 - Slide

de Vraag
De hoeveelheid die alle consumenten (klanten) samen van een product of dienst willen kopen

Slide 8 - Slide

Prijs en Vraag
De prijs van een product en de vraag naar een product hebben met elkaar te maken.
Men zegt dan ook wel:
"Ze hangen met elkaar samen"

Slide 9 - Slide

Lesdoel
  • hoe reken je met de vraagfunctie en
  • hoe teken je de vraaglijn

Slide 10 - Slide

Vraaglijn
De vraag naar producten bij verschillende prijzen teken je met de vraaglijn.

Je ziet hoe de vraag reageert op een verandering in de prijs.

Slide 11 - Slide

Vraaglijn
Als de prijs hoog is, wordt er minder gekocht.
Als de prijs laag is, wordt er meer gekocht.

De vraaglijn loop daardoor van boven naar beneden

Slide 12 - Slide


Bij een vraaglijn is er altijd een negatief verband. Hoe hoger de prijs, hoe minder mensen het product willen hebben.

De lijn loopt dus altijd naar beneden.

Slide 13 - Slide


Y-as = de Prijs
X-as = de vraag
 
Ezelsbruggetje:
Van de vraaglijn kan je een V maken.

Slide 14 - Slide

Vraagfunctie
De vraag naar een product bij verschillende prijzen kan je berekenen met de vraagfunctie.

De vraagfunctie is een formule die aangeeft wat de vraag naar een product is bij de verschillende prijzen.


Slide 15 - Slide

Vraagfunctie
De formule van de vraagfunctie :   Qv = -aP + b
Qv = gevraagde hoeveelheid (hoeveel producten koopt men)
P = de prijs (wat is de prijs van het product)
a = hoe verandert de vraag op een verandering van de prijs
b = dit deel is niet afhankelijk van de prijs (bijvoorbeeld: wat de prijs ook is, brood koop je altijd)

Slide 16 - Slide

Vraagfunctie berekenen
  • Vraagfunctie:    qv= -0,2p + 75

  • Als de prijs € 200 is, kan je de vraag berekenen door de  formule in te vullen

Slide 17 - Slide

Vraagfunctie berekenen
  • Vraagfunctie: qv= -0,2p + 75

  • De prijs (p) =  € 200 
  • Qv (dit is de vraag) = (-0,2 x 200) + 75
  • Qv =  -40 + 75  
  • Qv = 35 
  • Dus bij een prijs van € 200 worden er 35 producten verkocht

Slide 18 - Slide

Oefenen
Vraagfunctie: qv = -0,4p + 50

Wat is de gevraagde hoeveelheid als de prijs €100 is?

Slide 19 - Slide


Vraagfunctie: 
qv = -0,4p + 50
prijs = 100
qv = ?
p = 100


qv = -0,4p + 50
qv = (-0,4 x 100) + 50
qv = -40 + 50
qv = 10

Slide 20 - Slide

Samenvatting
  • wat is een markt
  • wat is het verschil tussen een concrete en een abstracte markt 
  • wat is de vraagzijde van de markt
  • hoe reken je met de vraagfunctie

Slide 21 - Slide

Aan de slag
Lees: de theorie eerst goed door!!!
Maken: vraag 1 t/m 7 van paragraaf 3.1
Klaar: nakijken

Slide 22 - Slide

Extra oefenen
hier vind je nog een filmpje met uitleg en extra uitleg over het tekenen van de vraaglijn

Slide 23 - Slide

Slide 24 - Video

EXTRA : Vraaglijn tekenen

Stappen om vraaglijn te tekenen:

1) Let er op dat de p-as verticaal en de q-as horizontaal getekend wordt.

2) Berekenen snijpunt met p-as: qv = 0  

Welke prijs hoort daar bij?

3) Berekenen snijpunt met q-as: p = 0

Welke hoeveelheid (q) hoort daar bij?


Hoe je stap 2 en 3 kan berekenen, zien we met de vraagfunctie

Slide 25 - Slide

Oefenen 
Lees de theorie goed door en maak daarna de lesson vragen

Slide 26 - Slide

Wat is het verschil tussen een concrete markt en een abstracte markt?
A
Bij een concrete markt kun je onderhandelen en bij abstracte markt niet
B
Bij een abstracte markt zijn verkoper en koper op één plek bij elkaar en bij concrete markt niet
C
Bij een concrete markt zijn de kosten lager dan op een abstracte markt
D
Bij een concrete markt zijn de koper en verkoper op één plek bij elkaar en bij een abstracte markt niet.

Slide 27 - Quiz

Wat is een markt ?
A
Dat is bijvoorbeeld de markt in het centrum, met kaas, groente en fruit.
B
De vraag van consumenten naar producten of diensten
C
Het aanbod van goederen of diensten door bedrijven
D
Zowel antwoord B als C is goed

Slide 28 - Quiz

Markt op zaterdag in de stad is een concrete markt?
A
Juist
B
onjuist

Slide 29 - Quiz

Wat voor soort markt is de Haagse Markt?
A
Abstracte markt
B
Concrete markt

Slide 30 - Quiz

Wat voor soort markt is de Oliemarkt
A
Abstracte markt
B
Concrete markt

Slide 31 - Quiz

Vraagfunctie: Qv = -10 x p + 100

Wat is Qv bij p = 0?
A
90
B
0
C
-10
D
100

Slide 32 - Quiz

Wat is de gevraagde hoeveelheid bij een prijs van € 75,00 bij de volgende vraagfunctie: Qv = 5000 - 20P
A
1000
B
3500
C
6500
D
1500

Slide 33 - Quiz

De vraagfunctie kent een ... verband
A
positief
B
negatief

Slide 34 - Quiz

Wat is de gevraagde hoeveelheid bij een prijs van € 5,00 bij de volgende vraagfunctie: Qv = 300 - 50P
A
100
B
250
C
550
D
50

Slide 35 - Quiz

De vraagfunctie is: Qv = -2p + 400
Hoeveel stuks worden er maximaal gekocht
A
0
B
400 : 2 = 200
C
400
D
150

Slide 36 - Quiz

De vraagfunctie is: Qv = -2p + 400
Hoeveel stuks worden er gekocht als de prijs € 0 is
A
0
B
400 : 2 = 200
C
400
D
150

Slide 37 - Quiz

De vraaglijn wordt gegeven door:
Qv = -2p + 500
Wat is de vraag bij p = 100?
A
Vraag = 700
B
Vraag = 500
C
Vraag = 300
D
Vraag is 200

Slide 38 - Quiz