Tema 3 - clase 3.14

Clase 3.14
Hacer (doen/maken): 
- preparar para la prueba

Aprender (leren): 
- vocabulario tema 3 
- bezittelijk voornaamwoord
- el verbo hay
- tener que + infinitivo
- los verbos poner y hacer
1 / 20
next
Slide 1: Slide
SpaansMiddelbare schoolhavoLeerjaar 2

This lesson contains 20 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 55 min

Items in this lesson

Clase 3.14
Hacer (doen/maken): 
- preparar para la prueba

Aprender (leren): 
- vocabulario tema 3 
- bezittelijk voornaamwoord
- el verbo hay
- tener que + infinitivo
- los verbos poner y hacer

Slide 1 - Slide

Planificación
1. Reglas de la clase
2. Repasamos
3. Zelfstandig leren
4. Blooket
5. Evaluación y la próxima clase

Después de esta clase... (Na deze les...)
... ben je voorbereid op de toets.
... heb je je vragen kunnen stellen die je wilde stellen. 
5 min
  20 min
20 min
5 min
5 min

Slide 2 - Slide

Reglas de la clase
  1. Je telefoon is thuis of in de kluis.
  2. Bij binnenkomst op je plek zitten, jas uit, tas van tafel en oortjes uit oren.
  3. Je hebt altijd je spullen mee: boeken, schrift, pennen, opgeladen device.
  4. Als een ander praat, ben je stil en luister je.
  5. Wanneer de docente uitleg geeft, ben je stil en maak je aantekeningen in je schrift.
  6. We lachen elkaar niet uit en gaan met respect met elkaar om.
  7. Je ruimt pas op als de docente dat aangeeft.
  8. Heb je een les gemist? Vraag aantekeningen aan klasgenoten en kijk in Magister.Learn wat je moet maken en leren. 
5 min

Slide 3 - Slide

Lessonup
- Je gaat in stilte de LessonUp maken die online staat (clase 3.14)
- Als je vragen hebt dat steek je je hand op en kom ik bij je. 
- Als je klaar bent ga je zelfstandig aan de slag met het leren voor je toets of vraag je extra uitleg aan de docent. 



Heb je alle opdrachten begrepen? 
timer
15:00

Slide 4 - Slide

Persoonlijk voornaamwoorden / Pronombres personales
ik
jij
hij
zij (enkelvoud)
u (enkelvoud)
wij
jullie
zij (meervoud)
(meervoud)
nosotros/-as
ellos
yo
usted
vosotros/-as
ellas
ella
ustedes
él

Slide 5 - Drag question

-AR
-ER
-IR
yo
él, ella, usted
nosotros/as
vosotros/as
ellos, ellas, ustedes
Sleep de uitgangen naar de juiste plaats in de tabel.
-o
-o
-o
-amos
-emos
-imos
-a
-e
-e
-es
-es
-as
-áis
-éis
-ís
-an
-en
-en

Slide 6 - Drag question

Vervoeg het werkwoord
"tener"

Slide 7 - Open question

Vervoeg het werkwoord
"ser"

Slide 8 - Open question

Vervoeg het werkwoord
"hacer"

Slide 9 - Open question

Vervoeg het werkwoord
"poner"

Slide 10 - Open question

Sleep de Nederlandse bezittelijke voornaamwoorden naar de juiste Spaanse bijbehorende pronombre posesivo.
mi(s)
vuestro/a/os/as
su(s)
tu(s)
nuestro/
a/os/as
mijn
uw
jouw
hun
zijn
jullie
haar
ons/onze

Slide 11 - Drag question

1. ¿Cuál es _______ número de teléfono? (tú)

Slide 12 - Open question

2. _______ gata se llama Bonita. (ella)

Slide 13 - Open question

4. ¿Dónde viven _______ padres? (vosotros)

Slide 14 - Open question

ENKELVOUD / SINGULAR
(yo) ____________ libro
(tú) ____________ libro
(él/ella/usted) ____________ libro
(nosotros/as) ____________ libro
(nostros/as) ____________ casa
(vosotros/as) ____________ libro
(vosotros/as) ____________ casa
(ellos/ellas/ustedes) ____________ libro
MEERVOUD / PLURAL
(yo) ____________ libros
(tú) ____________ libros
(él/ella/usted) ____________ libros
(nosotros/as) ____________ libros
(nostros/as) ____________ casas
(vosotros/as) ____________ libros
(vosotros/as) ____________ casas
(ellos/ellas/ustedes) ____________ libros
su
su
vuestro
vuestra
nuestro
nuestra
mi
tu
sus
sus
vuestros
vuestras
nuestros
nuestras
mis
tus

Slide 15 - Drag question

Verplaats de bijvoeglijk naamwoorden in de juiste zin aan de hand van de zelfstandignaamwoorden en/of lidwoorden. 
El mercado es _________________.

La escuela es _________________.

Los parques de atracciones son _________________.
importante
pequeño
modernos

Slide 16 - Drag question

Verplaats de bijvoeglijk naamwoorden in de juiste zin aan de hand van de zelfstandignaamwoorden en/of lidwoorden.
Las montañas son _________________.

La ciudad de Nuevas York es _________________.

Los museos son _________________.
tranquilas
turística
grandes

Slide 17 - Drag question

Practicamos: de vertaling van moeten
Schrijf de antwoorden in je schrift:
1. (yo) _________ sacar la basura.
2. ¿Cuántos años _________ (tú)?
3. Mi hermano _________ hacer la cama todos los días.
4. vertaal: wij hebben
5. vertaal: wij moeten

Slide 18 - Slide

Blooket
Blooket vocabulario tema 3: Unidad 3 - Mi familia 

Slide 19 - Slide

La próxima clase
Vamos a...
... hacer la prueba. 


Hacer (doen/maken): 
- la prueba

Aprender (leren): 
- vocabulario tema 3 
- bezittelijk voornaamwoord
- el verbo hay
- tener que + infinitivo
- los verbos poner y hacer
Vind je de regelmatige werkwoorden vervoegen nog ingewikkeld?
Kom langs in een Daltonuur.

Slide 20 - Slide