IJsbr Hfdst 4

IJsbreker
1 / 37
next
Slide 1: Slide
NT2Middelbare schoolvmbo lwooLeerjaar 1

This lesson contains 37 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 120 min

Items in this lesson

IJsbreker

Slide 1 - Slide

Het openbaar vervoer:


Je leert woorden die horen 
bij het openbaar vervoer.

Je maakt goede zinnen.

Je denkt na over je eigen veiligheid.
IJsbreker
Hoofdstuk 4 les 1

Slide 2 - Slide

Welke woorden weet je over openbaar vervoer?

Slide 3 - Open question

Zijn er in jouw woonplaats trams?
En zijn er bussen?

Betaal je met een ov-chipkaart of met geld?

Hoe weet je welke bus of tram je moet nemen?
En bij welke halte je moet uitstappen?
IJsbreker
Hoofdstuk 4 les 1

Slide 4 - Slide

Ivo Antonie de Rooij
Vladimir Zhoga
Intercity
Tram
Sprinter
Metro
Bus
Trolleybus

Slide 5 - Drag question

De ...................... rijdt vaak onder de grond.
A
aankomst
B
metro
C
bus
D
verbinding

Slide 6 - Quiz

Wat is dit?
A
de weg
B
de bus
C
de storing
D
de metro

Slide 7 - Quiz

Wat is een perron?
A
Een stoel
B
Een bloem
C
hoge stoep , waar je op stapt als je uit de trein stapt.
D
dierennaam

Slide 8 - Quiz

Wat is openbaar vervoer?
A
Vervoer dat gratis is.
B
Vervoer dat iedereen mag gebruiken.
C
Vervoer dat van jezelf is.
D
Alleen de bus en de tram.

Slide 9 - Quiz

Waar sta je nu?
A
bij de bushalte
B
op het station
C
bij de tramhalte
D
in de tram

Slide 10 - Quiz

Waar ben ik?
A
in de tram
B
in de trein
C
in de bus
D
in de metro

Slide 11 - Quiz

Wie gaat er elke dag met de bus of tram?
ja
nee
soms

Slide 12 - Poll

Slide 13 - Slide

Ik vind reizen met de bus of tram .........
😒🙁😐🙂😃

Slide 14 - Poll

Hoe betaal je de reis?
A
Met een kaartje of je OV-chipkaart.
B
Met een kaartje.
C
Met een OV-chipkaart.
D
Met euromunten.

Slide 15 - Quiz

Oh, Oh.......
ik ben mijn OV-chipkaart vergeten.
Wat moet ik doen?
A
Mijn OV-chipkaart thuis ophalen.
B
Gewoon in de bus stappen.
C
Een los kaartje kopen.
D
Een OV-chipkaart lenen.

Slide 16 - Quiz


A
de trem
B
de tram
C
de bus
D
de boes

Slide 17 - Quiz


A
de tramhalte
B
het perron
C
de bushalte
D
de bus

Slide 18 - Quiz

Meneer zegt:
'U moet even ........ lopen.'
A
2 minuten
B
2 haltes
C
rechtdoor
D
voorbij

Slide 19 - Quiz

Maak een goede zin met:
de bushalte

Slide 20 - Open question

Wie bekijkt of je een goed kaartje hebt?
A
de bestuurder
B
de controleur
C
de machinist
D
de agent

Slide 21 - Quiz

de controleur
IJsbreker

Slide 22 - Slide

De agent controleert andere dingen.
IJsbreker

Slide 23 - Slide

de bestuurder
IJsbreker

Slide 24 - Slide

de bestuurder van de trein = de machinist
IJsbreker

Slide 25 - Slide

Je hebt geen kaartje.
Je zit wel in de tram.
Hoe heet dat?

A
blauw rijden
B
rood rijden
C
grijs rijden
D
zwart rijden

Slide 26 - Quiz

vervoersmiddelen

Slide 27 - Mind map

woorden bij de les:

de bus                           de bushalte

de tram                         de tramhalte

de ov-chipkaart           zwart rijden - de boete
IJsbreker
Hoofdstuk 4 les 1

Slide 28 - Slide

Schrijf de woorden op en maak met ieder woord een goede zin.
de tram
de bus
de tramhalte
de bushalte
de bestuurder
zwart rijden - boete
reizen
Heb je nog meer woorden geleerd?  Schrijf ze op.

Klaar: extra opdracht
IJsbreker
Hoofdstuk 4 les 1

Slide 29 - Slide

Ik loop naar de tram.

Ik sta naast de tram.
Ik ben bij de tram.

Ik stap in de tram.
Ik ben in de tram. Ik zit in de tram.

Ik ga met de tram mee.

Ik stap uit de tram.



IJsbreker
Hoofdstuk 4 les 1/voorzetsels

Slide 30 - Slide

IJsbreker
Hoofdstuk 4 les 1

Slide 31 - Slide

Slide 32 - Link

IJsbreker
Hoofdstuk 4 

Slide 33 - Slide

Ga je wel eens met de trein?
Waar ga je dan naartoe?

Hoe weet je hoe laat de trein vertrekt?
Vertrekt de trein altijd op tijd?

IJsbreker
Hoofdstuk 4 les 2

Slide 34 - Slide

Woorden bij de les:
een kaartje kopen

de stationshal

het perron
IJsbreker
Hoofdstuk 4 les 2

Slide 35 - Slide

Woorden bij de les:

het station

het loket 

de kaartjesautomaat

IJsbreker
Hoofdstuk 4 les 2

Slide 36 - Slide

Spelletje: Raad het woord

IJsbreker

Slide 37 - Slide