Havo MAW, H3, 2e druk

Seneca


Hoofdstuk 3 (2e druk)

De samenleving en verschillen

Text

1 / 29
next
Slide 1: Slide
New lesson editorMaatschappijwetenschappenMiddelbare schoolhavoLeerjaar 5

This lesson contains 29 slides, with text slides.

Items in this lesson

Seneca


Hoofdstuk 3 (2e druk)

De samenleving en verschillen

Text

Lesdoelen

Ik leer:

  • Wat sociale ongelijkheid is

  • Hoe macht en dwang van elkaar verschillen en hoe ze gerelateerd zijn

  • Wat gezag is

  • De tegenpolen samenwerking en conflict te begrijpen

  • Wat collectieve actie is en het dilemma van de collectieve actie


Identiteit

Cultuur

Ideologie

Politieke socialisatie

Socialisatie

Rationalisering

Democratisering

Individualisering

Globalisering

Institutionalisering

Staatsvorming

Acculturatie

Macht

Samenwerking

Representativiteit

Sociale institutie

Sociale cohesie

Cultuur

Representatie

Politieke institutie

Groepsvorming

Gezag

Conflict

Sociale (on)gelijkheid









































3.1 Sociale ongelijkheid


Kernconcept:

Sociale ongelijkheid is een situatie, waarin verschillen tussen mensen, al dan niet aangeboren kenmerken, consequenties hebben voor hun maatschappelijke positie en die leiden tot een ongelijke verdeling van schaarse en hooggewaardeerde zaken, van waardering en behandeling

  • https://www.youtube.com/watch?v=bG652LsL2lo


Gevolgen van die verschillen

  • Er is sprake van sociale ongelijkheid als de verschillen tussen mensen consequenties hebben voor hun waardering en behandeling.

    • Bijvoorbeeld: mannen en ouderen krijgen over het algemeen meer betaald dan vrouwen en jongeren.

    • Het beroep chirurg heeft meer aanzien (status) dan het beroep schoonmaker.


  • Dit betekent niet perse dat er sprake is van discriminatie, dit is namelijk ongelijke behandeling in gelijke gevallen.

https://www.youtube.com/watch?v=dtcjRwKgtCA


Slide titel

3.1 Vier soorten sociale ongelijkheid


Kolom titel

Kolom tekst

Kolom tekst

Kolom tekst

Kolom titel

  • Sociale ongelijkheid ontstaat bij een ongelijke verdeling van sociale hulpbronnen


Sociale hulpbronnen

  • Economische hulpbronnen:      geld, bezit

  • Sociale hulpbronnen:                 contacten met mensen, netwerken

  • Symbolische hulpbronnen:       status, aanzien

  • Politieke hulpbronnen:              macht, gezag



https://www.expertisecentrum-maatschappijwetenschappen.nl/redeneren/kennisclips/





3.1 De maatschappelijke ladder

  • De verdeling van de maatschappij in groepen waartussen sociale ongelijkheid bestaat noemen we sociale stratificatie.

  • Een sociale laag is een groep mensen met dezelfde maatschappelijke positie.

  • De maatschappelijke ladder is een indeling waarbij mensen met meer bezit of status hoger staan dan anderen.

  • Als mensen vergeleken worden op basis van de status van hun beroep, noemen we dat beroepsprestigeladder.


3.1 Sociale mobiliteit

  • Het stijgen of dalen op de maatschappelijke ladder noemen we sociale mobiliteit.

  • Positietoewijzing verwijst naar maatschappelijke oorzaken waardoor een persoon of groep op een bepaalde positie terechtkomt.

    • De betrokken personen hebben hier geen invloed op.

  • Positieverwerving houdt in dat mensen een maatschappelijke positie verkrijgen door hun eigen bijdrage of de groep waartoe ze behoren.

    • De betrokken personen hebben hier wél invloed op.


3.1 Open en gesloten samenlevingen

  • In een open samenleving hebben mensen veel kansen om sociaal mobiel te zijn.

  • In een gesloten samenleving is er nauwelijks mogelijkheid tot sociale mobiliteit.

  • In elke samenleving is er sprake van sociale ongelijkheid, maar de

mogelijkheid om daar wat aan te doen verschilt per samenleving


3.1 Drie soorten kapitaal

Kansen worden groter naarmate iemand kapitaal heeft.

We onderscheiden drie soorten kapitaal:


  • Economisch kapitaal:  bezit, vermogen, inkomen


  • Sociaal kapitaal: relaties, netwerken


  • Cultureel kapitaal: culturele competenties, kennis, houdingen, opvattingen en smaak die passen bij de hogere sociale klasse

Vraag:

  • Hoe heet de institutie die er voor zorgt dat er minder sociale ongelijkheid is?

3.1 De verzorgingsstaat

Definitie

Een staat die zich verantwoordelijk voelt voor de welvaart en het welzijn van haar burgers


Doelen

  • Solidariteit reguleren

  • Ongelijkheid bestrijden

  • Belasting betalen is solidariteitsregulatie

3.1   3 pijlers van de verzorgingsstaat

  • Sociale zekerheid

  • Gezondheidszorg

  • Onderwijs


Een uitgebreide verzorgingsstaat kost veel geld.

(miljoenennota 2023)

Voorbeeldexamenvraag sociale ongelijkheid

De arbeidsparticipatie van niet-westerse migranten wijkt sterk af van het landelijke gemiddelde. 14,2 procent van de niet-westerse migranten was in 2015 werkloos, tegen 6,6 procent van alle personen van 15 tot en met 64 jaar. Bij het vinden van betaald werk door niet-westerse migranten wordt een onderscheid gemaakt tussen positietoewijzing en positieverwerving.


  • Leg uit dat de lagere arbeidsparticipatie van niet-westerse migranten zowel te maken kan hebben met positietoewijzing als met positieverwerving.(2p) Gebruik in je uitleg:

–        een voorbeeld van positietoewijzing;

–        een voorbeeld van positieverwerving

3.2 Macht

Kernconcept

Macht is het vermogen om hulpbronnen in te zetten om bepaalde doelstellingen te bereiken en de mogelijkheden van anderen te beperken of te vergroten.

https://www.youtube.com/watch?v=KLrF9f0APHU



3.2 Machtsbronnen

  • Affectieve machtsbronnen:       gevoel, emoties

  • Cognitieve machtsbronnen:      kennis

  • Economische machtsbronnen:  geld, bezit

  • Politieke machtsbronnen:          politieke machtsdragers


Vraag: 

Welke machtsbron heeft Jaap van Dissel?

3.2 Welke machtsbronnen?


Vraag:

Welke twee machtsbronnen gebruikt Gretha Thunberg?


https://www.youtube.com/watch?v=HAOCnDMGdKU&t=24s


3.2 Het dilemma van de collectieve actie 


Collectieve actie: wanneer mensen samenwerken om een collectief goed te realiseren.


Dilemma van de collectieve actie (Prisoner dilemma)

-Free riders; actoren die wel profiteren van het collectieve goed, maar er niet aan bijdragen.

- Dilemma van de collectieve actie op internationaal niveau

https://www.youtube.com/watch?v=fYibA_9s9Jc




3.2 Het dilemma van de collectieve actie

Vraag:

Hoe is de corona epidemie een voorbeeld van het dilemma van de collectieve actie?


Vraag:

Wat kan een oplossing zijn voor het dilemma van de collectieve actie?

3.2 De oplossing 

  • Dwang is de oplossing


  • Een actor met macht kan dwang gebruiken


  • Hoe meer hulpbronnen een actor heeft, hoe meer macht hij of zij heeft.

3.2 Formele en informele macht


  • Formele macht is vastgelegd in regels en wetten


  • Informele macht is niet officieel vastgelegd

3.3 Gezag

Kernconcept:

Gezag is macht die als legitiem wordt beschouwd



https://www.youtube.com/watch?v=VHuzOtjdjbI





3.3 bronnen van gezag

Iemand kan zijn of haar gezag ontlenen aan verschillende bronnen:


  • Functie

  • Prestaties

  • Kwaliteiten


Vraag:

Op basis waarvan ontleent de paus zijn geestelijk gezag?

3.4 Samenwerking en conflict  

Samenwerking (kernconcept)

Het proces waarin individuen, groepen en/of staten relaties vormen om hun handelen op elkaar af te stemmen voor een gemeenschappelijk doel.               


3 voorwaarden voor samenwerking:

  • Compromisbereidheid

  • Onderling vertrouwen

  • Wederzijdse acceptatie

3.4 Machtsbronnen

2 modellen met betrekking tot samenwerking


Harmoniemodel (poldermodel)

  • > De nadruk ligt op overleggen en er samen uit komen

  • > Veel overleg


Conflict model

  • > De nadruk ligt op het behalen van eigen doelen en belangen.

  • > Stakingen en burgerlijke ongehoorzaamheid


3.4 Manifeste en latente conflicten

  • Manifeste conflicten:  Er wordt openlijk tegengewerkt, het conflict is zichtbaar


  • Latente conflicten: Het conflict is subtieler, verborgen

3.4 Samenwerking en conflict


Opdracht:

( 15 minuten in groepjes, 5 minuten nabespreken)


  • Vorm 4-tallen:

  • Bedenk een voorbeeld van het dilemma van collectieve actie op microniveau (individuen)

  • Bedenk een voorbeeld van het dilemma van collectieve actie op mesoniveau (staat)

  • Bedenk een voorbeeld van het dilemma van collectieve actie op macroniveau (internationaal)

  • Maak uit je opdrachtenboek paragraaf 5.2, opdracht 4 en 5


3.4 Samenwerking en conflict

Wat heb ik geleerd?

  • Wat sociale ongelijkheid is

  • Hoe macht en dwang van elkaar verschillen en hoe ze gerelateerd zijn

  • Wat gezag is

  • De tegenpolen samenwerking en conflict te begrijpen

  • Wat collectieve actie is en het dilemma van de collectieve actie