H4 - week 6 - les 1, 2, 3, 4

H4 - Woche 6
1 / 40
next
Slide 1: Slide
DuitsMiddelbare schoolmavo, havo, vwoLeerjaar 3-5

This lesson contains 40 slides, with text slides and 1 video.

Items in this lesson

H4 - Woche 6

Slide 1 - Slide

Auf dem Tisch
Klaarleggen:
  • Arbeitsbuch + Fachbuch
  • Heft 
  • Stift

Slide 2 - Slide

Planung Stunde 1

Vokabeln K3 L2 abfragen 

Vokabeln: (10 Min.)
  • K3 L3 D-N + Aufgabe 29

Sprechen: Imperativ Autogrammjagd

Sehen: Jojo Folge 13
    Ziele


        Du lernst neue Vokabeln und erweiterst deine Wortschatz. 

        Je  kunt de gebiedende wijs correct mondeling toepassen en iemand een opdracht geven. 




            Slide 3 - Slide

            Vokabeln abfragen 
            Vor dem Unterricht
            • Kennen: K3 L2 D-N


            Slide 4 - Slide

            Vokabeln - K3 L23(D-N)
            Besprechen: Lektion 3 (N-D) S. 148

            Machen: K3 L3 Aufgabe 29 S.120
            timer
            5:00

            Slide 5 - Slide

            Slide 6 - Slide

            Noch ein bisschen wiederholen
            Forme die Sätze in Imperativ-Sätze um.

            Du sollst die Wörter gut lernen.  --> ________________________________________________ 

            Ihr sollt nach Hause kommen. -->    _______________________________________________ 

            Sie sollen ihn anrufen.  -->                  _______________________________________________

            Du soloist still sein. -->                         ______________________________________________


            timer
            1:00

            Slide 7 - Slide

            Samengevat: Imperativ

            3 Vormen:

            • Enkelvoud = stam van du- vorm  (Let op! + e bij stam op d/t, m/n)
            • Meervoud = ihr- vorm 
            • Beleefdheid= hele werkwoord + Sie


            LET OP: haben, sein hebben eigen Imperativ - vorm!

            Slide 8 - Slide

            Grammatik - der Imperativ
            Selbstständig: Ergänze die fehlenden Imperativ Formen. (5 Min.)

            Sprechen: Geht in die Klasse herum und gebt an Mitschülern Befehle. Er/Sie soll den Befehl ausführen. Notiere den Namen auf deinem Zettel. Wer hat am schnellsten alle befehle gesammelt?
            (Zeit: 10 Minuten) 

            Fertig = geh zu deinem Platz --> Lernen Lektion 3 N-D
            timer
            10:00

            Slide 9 - Slide

            Nächste Stunde
            Weißt du noch?

            Lesen: K3 L4 43, 44

            Hören: deutsche Döner + Aufgabe 

            Schuif je stoel aan en laat het lokaal netjes achter.

            Slide 10 - Slide

            H4 - Woche 6 - Stunde 1

            Slide 11 - Slide

            Auf dem Tisch
            Klaarleggen:
            • Arbeitsbuch + Fachbuch
            • Heft 
            • Stift

            Slide 12 - Slide

            Planung Stunde 2

            Sprechen: Imperativ Autogrammjagd

            Lesen: K3 Lektion 4: 43, 44

            Sehen: Jojo Folge 13




            Ziele


               


              Slide 13 - Slide

              Grammatik - der Imperativ
              Selbstständig: Ergänze die fehlenden Imperativ Formen. (5 Min.)

              Sprechen: Geht in die Klasse herum und gebt an Mitschülern Befehle. Er/Sie soll den Befehl ausführen. Notiere den Namen auf deinem Zettel. Wer hat am schnellsten alle befehle gesammelt?
              (Zeit: 10 Minuten) 

              Fertig = geh zu deinem Platz --> Lernen Lektion 3 N-D
              timer
              10:00

              Slide 14 - Slide

              Lesen: Tierarzt für Obdachlose
              --> K3 L4 Aufgabe 43, 44 (S127)

              Gemeinsam: Text + Fragen besprechen

              Selbstständig: Text Lesen + Aufgabe 43, 44 machen. (15 Min.)


              Fertig = Lernen weektaak K3 L3 N-D

              Slide 15 - Slide

              Slide 16 - Video

              Nächste Stunde
              Grammatik: Adjektiv + K3 L4 46, 47, 48, 49


              Schuif je stoel aan en laat het lokaal netjes achter.

              Slide 17 - Slide

              H4 - Woche 6 - Stunde 3

              Slide 18 - Slide

              Auf dem Tisch
              Klaarleggen:
              • Arbeitsbuch + Fachbuch
              • Heft 
              • Stift

              Slide 19 - Slide

              Planung Stunde 2

              Grammatik: Adjektiv (bijv. naamwoord) in de 1., 3., en 4. naamval








              Ziele


                Je kunt de bijvoeglijk naamwoorden correct verbuigen in de 1e, 3e en 4e naamval. 

                Slide 20 - Slide

                Vorkenntnisse: bijvoeglijk naamwoord
                Onderstaande kennis heb je nodig voor de bijvoeglijk naamwoorden:
                • (keuze)voorzetsels met 3e en 4e naamval
                • werkwoorden met een vaste naamval
                • naamvallen door zinsontleding: onderwerp (1e), lijdend voorwerp (4e), meewerkend voorwerp (3e)
                • Ein- Gruppe 1e, 3e, 4e naamval
                • Der- Gruppe 1e, 3e, 4e naamval

                Slide 21 - Slide

                Wat is een bijvoeglijk naamwoord? (Adjektiv)
                een Adjektiv = een bijvoeglijk naamwoord:
                • het bijvoeglijk naamwoord zegt iets over een zelfstandig naamwoord  het betreft vaak een eigenschap of een kenmerk (mooi, groot, blauw, slecht)
                • staat (meestal) vóór het zelfstandig naamwoord


                Voorbeeld:
                Mijn oom heeft een mooie, rode auto.  
                Auf Deutsch: Mein Onkel hat ein schönes, rotes Auto.

                De bijvoeglijk naamwoorden worden ook verbogen in de 1e, 3e, 4e naamval

                Slide 22 - Slide

                Der-Gruppe

                Slide 23 - Slide

                Ein-Gruppe

                Slide 24 - Slide

                Null-Gruppe
                De nul-groep (Null-Gruppe) is een groep, waarbij er geen voornaamwoord vóór een zelfstandig naamwoord staat. Dit betekent dat er bijvoeglijke naamwoorden die zonder de/het/een of ander woord bij een zelfstandig naamwoord staan. Ze staan dus alleen in een zin. 

                Beispiel:
                Kleine én slimme kinderen begrijpen, dat de wereld heel groot was.
                Kleine und schlaue Kinder verstehen, dass die Welt sehr groß war.

                Slide 25 - Slide

                Slide 26 - Slide

                Wanneer welke naamval? Dat ligt aan:
                - (keuze)voorzetsels met 3e of 4e naamval

                    OF

                - zindeel: onderwerp, lijdend voorwerp, meewerkend voorwerp

                Slide 27 - Slide

                De eerste naamval (Nominativ) gebruik je bij het .....
                onderwerp 
                (wie/wat+gezegde* = onderwerp)   

                De kleine hond blaft - Der kleine Hund bellt.


                * gezegde = alle werkwoorden in de zin

                Slide 28 - Slide

                De vierde naamval (Akkusativ) gebruik je bij .....
                het lijdend voorwerp 
                (wie/wat+gezegde+onderwerp = lijdend voorwerp)                           


                De bakker bakt
                het brood.  -  Der Bäcker backt das Brot.

                Slide 29 - Slide

                De vierde naamval gebruik je ook na de volgende voorzetsels:
                durch (door) - Der Baum ist durch Blitzeinschlag abgebrannt.
                für (voor) - Das ist für deinen Onkel.
                ohne (zonder) - Ohne meinen Ausweis gehe ich nie auf die Straße.
                um (om) - Fahren Sie hier um die Ecke. 
                bis (tot) - Bis nächste Woche muss ich 300 Vokabeln lernen.
                gegen (tegen) - Gegen diese Behauptung kann man nichts einwenden.
                entlang (langs) - Wir sind die ganze Zeit den Fluss entlang gelaufen.*

                *Hier staat het voorzetsel na het zelfstandig naamwoord.

                Slide 30 - Slide

                De derde naamval (Dativ) gebruik je bij .....
                het meewerkend voorwerp 
                (aan of voor wie/wat + gez. + ow + lv = mwv)                                                                                        

                De man schenkt zijn vrouw een Mini Cooper.      
                  -
                Der Mann schenkt seiner Frau einen Mini Cooper. 

                Slide 31 - Slide

                De derde naamval gebruik je ook na de volgende voorzetsels:
                mit (met) - Die Schüler fahren mit dem Zug.
                nach (naar, na) - Wir fahren nach Frankreich.
                bei (bij) - Meine Schwester wohnt bei meinem Vater. 
                seit (sinds) - Seit einem Jahr habe ich chronische Schmerzen.
                von (van, door)* - Das Buch ist von mir. Der Dieb ist von der Polizei verhaftet worden.
                zu (naar)** - Ich gehe in Groningen zur Universität. Wir fahren zu meiner Oma.
                aus (uit) - Hast du das Buch aus der Bibliothek? 
                entgegen (tegemoet) - Der Junge lief seiner Freundin entgegen.
                gegenüber *(tegenover) - Das Haus steht gegenüber einer Kirche.
                außer (behalve) - Außer meiner Freundin kamen alle zu spät.

                Slide 32 - Slide

                an = aan, naar                              

                auf = op

                in = in, naar, over

                hinter = achter                             Wo ?/ Wann? (plaats/tijd)  --> 3e n.v.

                neben = naast

                unter = onder                               Wohin? ( beweging/verplaatsing) --> 4e naamval

                über = boven, over               

                vor = voor, geleden

                zwischen = tussen

                Keuzevoorzetsels: 3e of 4e naamval

                Slide 33 - Slide

                Buch S.129
                Schema
                timer
                2:30

                Slide 34 - Slide

                Grammatik: Adjektiv
                Machen: K3. Lek. 4 Aufgabe 47, 48, 49 (S.131)

                Hilfsmittel: Spickzettel Grammatik (Vakboekje), Arbeitsbuch

                Zeit: 20 Minuten, danach besprechen

                Fertig = Lernen Vokabeln Lektion 3

                Schwierig?= Aufgaben zusammen mit Lehrerin machen
                timer
                20:00

                Slide 35 - Slide

                Nächste Stunde
                Weißt du noch? Grammatik: Adjektiv

                Sehen: Cito Videoteil 1



                Schuif je stoel aan en laat het lokaal netjes achter.

                Slide 36 - Slide

                H4 - Woche 6 - Stunde 4

                Slide 37 - Slide

                Planung Stunde 2

                Besprechen: Adjektiv Aufgabe 47, 48, 49 (S.131)

                Hören & Sehen: Cito Videoteil 1
                (25 Min.) 





                Ziele


                  Je kunt de bijvoeglijk naamwoorden correct verbuigen in de 1e, 3e en 4e naamval. 

                  Slide 38 - Slide

                  Hören: Cito VMBO TL (H4duA)
                  Vorbereitung H4duA Hören

                  1. Lies zuerst die Fragen (Videoteil 1 + 2)  Antworten und markiere wichtige Wörter. 

                  2. Hör dir die Fragmente an und wähle in der Pause die richtige Antwort. Lies auch
                      die nächste Frage nochmal. 

                  (Zeit: 15 Min.)

                  Slide 39 - Slide

                  Nächste Stunde
                  Overhoren: K3 L3 N-D Vokabeln

                  Vokabeln: K3 L4 D-N

                  Lesefertigkeit üben 


                  Schuif je stoel aan en laat het lokaal netjes achter.

                  Slide 40 - Slide