Grammatiktrainer schwache Verben im Präsens

Das schwache Verb im Präsens 

ich
du
er/es/sie
wir
ihr
sie/Sie
ik
jij
hij/het/zij
wij
jullie
zij/u
(fe)
e
st
t
en
t
en
Als je een zwak werkwoord wilt vervoegen, dan haal je -en van het hele werkwoord af. (wohnen -> wohn). 
Dan bepaal je welke vorm je nodig hebt (ich, du, er, etc) en kies je de bijbehorende uitgang.
Als je de uitgangen van links naar rechts leest en je zet er fe voor
dan krijg je het woord feesttenten. Hiermee kun je de uitgangen van de regelmatige
werkwoorden onthouden.
1 / 15
next
Slide 1: Slide
DuitsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 3

This lesson contains 15 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

Das schwache Verb im Präsens 

ich
du
er/es/sie
wir
ihr
sie/Sie
ik
jij
hij/het/zij
wij
jullie
zij/u
(fe)
e
st
t
en
t
en
Als je een zwak werkwoord wilt vervoegen, dan haal je -en van het hele werkwoord af. (wohnen -> wohn). 
Dan bepaal je welke vorm je nodig hebt (ich, du, er, etc) en kies je de bijbehorende uitgang.
Als je de uitgangen van links naar rechts leest en je zet er fe voor
dan krijg je het woord feesttenten. Hiermee kun je de uitgangen van de regelmatige
werkwoorden onthouden.

Slide 1 - Slide

Ausnahmen von der Regel
(heißen) Wie heißt du?              nur ein -t
(tanzen) Du tanzt gut!               nur ein -t
(boxen)  Boxt du schon lange?   nur ein -t

Als de stam eindigt op een sis-klank (s, ss, ß, x, z) bij du geen -st, alleen een t. 
De s zit als in de sisklank. Siehe Seite 123 im Buch.

Slide 2 - Slide

Ausnahmen von der Regel
(reden)    Er redet viel.              
(warten)  Wartest du auf mich?              
(finden)  Wie findet ihr den Film?  
Als de stam eindigt op d/t, dan extra e tussen stam en uitgangen die met een medeklinker beginnen om het woord goed uit te kunnen spreken. S. 100 im Buch.

Slide 3 - Slide

Ich ___ in den Niederlanden.
A
wohnen
B
wohne
C
wohnst

Slide 4 - Quiz

Wir ___ Fußball auf dem Schulhof.
A
spielen
B
spielt
C
spielst

Slide 5 - Quiz

Warum ___ du nicht?
A
antwortst
B
antwortest
C
antwortet

Slide 6 - Quiz

Peter ___ seine Hausaufgaben.
A
mache
B
machst
C
macht

Slide 7 - Quiz

Es ___ schon den ganzen Tag.
A
regnt
B
regnet

Slide 8 - Quiz

___ ihr das? - Was ist das?
A
Hören
B
Hört

Slide 9 - Quiz

Mein Handy ___ hier noch.
A
liegen
B
liegst
C
liegt

Slide 10 - Quiz

Wie lange bleibt ___?
A
du
B
ihr
C
Sie?

Slide 11 - Quiz

___ stehen vor der Schule.
A
Der Lehrer
B
Die Schüler
C
Das Fahrrad

Slide 12 - Quiz

NL>D: vind jij
(finden)

Slide 13 - Open question

NL>D: reis jij
(reisen)

Slide 14 - Open question

NL>D: wachten jullie
(warten)

Slide 15 - Open question