2HV: Chapitre 4: chp 3

Aujourd'hui, c'est le ...
1 / 18
next
Slide 1: Slide
FransMiddelbare schoolhavoLeerjaar 2

This lesson contains 18 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

Aujourd'hui, c'est le ...

Slide 1 - Slide

La révision
Objectif
Vocabulaire
Grammaire
Chapitre 1
Vertellen over je vakantie en over wat je hebt gedaan
- Vakantie
- Weer
- Nationaliteiten
- Activiteiten
- Passé composé (VT)
- Bezittelijk vnw 
Chapitre 2
Vertellen over je familie en over je huis 
- Familie
- Dieren
- Eigenschappen
- Huis  
- Bijvoeglijk naamwoord
- Werkwoorden op -er
Chapitre 3
Kleding kopen en iemand beschrijven
- Kleding
- Getallen t/m 1000
- Vrije tijd
- Winkelen  
- aanwijzend vnw
- pouvoir: kunnen/mogen
- vouloir: willen

Slide 2 - Slide




C'est un restaurant. 
Tu aimes ce restaurant? 

Slide 3 - Slide

C'est une cuisine.
Tu aimes cette cuisine? 

Slide 4 - Slide




Ce sont des coissants
Tu aimes ces croissants?
 

Slide 5 - Slide

Welke aanwijzend voornaamwoord moet je gebruiken in het Frans als het woord is... 
mannelijk enkelvoud
vrouwelijk enkelvoud
Meervoud 
Ce
Cette 
Ces
Cet

Slide 6 - Drag question

Slide 7 - Slide

______soir
A
cette
B
ce
C
ces
D
cet

Slide 8 - Quiz

Wat is het juiste aanwijzend vnw.?
.............. entrée est bonne.
A
ce
B
cet
C
cette
D
ces

Slide 9 - Quiz

Wat is het juiste aanwijzend vnw.?
Tu dois utiliser ........ ingrédient.
A
ce
B
cet
C
cette
D
ces

Slide 10 - Quiz

Wat is het juiste aanwijzend vnw.?
Tu connais .............. chefs?
A
ce
B
cet
C
cette
D
ces

Slide 11 - Quiz

Traduis en français
Die man draagt een trui

Slide 12 - Open question

Traduis en français
Die gympen zijn wit

Slide 13 - Open question

Slide 14 - Slide

Pouvoir & Vouloir 
Irréguliers (onregelmatig)

Slide 15 - Slide

Tu .... me prêter 20 euros?
Kun je mij 20 euro lenen?
Nous .... avoir plus d'argent de poche.
Wij willen meer zakgeld hebben.
Elle ... des croissants au petit déjeuner.
Zij wil croissants voor ontbijt.
Mes parents ne ....pas que j'aille au concert.
Mijn ouders willen niet dat ik naar het concert ga.
peux
pouvez
veut
voulons
peut
avez voulu 
veulent

Slide 16 - Drag question

Le programme
Semaine 6
Semaine 7
Cours 1
Oefentoets Chapitre 3
Lundi: Carnaval

Cours 2
Le pont A:  Chapitre 1
Le pont A: Chapitre 1 à 3
Cours 3
Le pont A: Chapitre 1 & 2
Lecture & uitleg PO Chapitre 3 

Slide 17 - Slide

hoeveel werkwoorden gebruik je om de passé composé te maken?
Bij vrouwelijke landennamen welke voorzetsel gebruik je ?
Bij mannelijke landennamen welke voorzetsel gebruik je ?
Alle namen van werelddelen zijn mannelijk of vrouwelijk?
Welke hulpwerkwoord gebruik je bij het voltooid deelwoord "été"?
Bij meervoudige landennamen welke voorzetsel gebruik je?
Bij namen van steden en dorpen welke voorzetsel gebruik je?
Wat is de voltooid deelwoord van avoir?
Wat is de voltooid deelwoord van être?
Nederland
Verenigde Staten
Bij "Verenigde Staten" welke voorzetsel gebruik je?
2
en
vrouwelijk
ou
aux
mannelijk
ou
aux
mes
de
eu
1
êtes
avoir
as
Etats-Unis
Pays-Bas
au
été
à
ont

Slide 18 - Drag question