Grammatik Schritt 14-23

herhaling naamvallen ontleden
naamval 1: onderwerp  = HIJ
naamval 4 : lijdend voorwerp = HEM
naamval 3: meewerkend voorwerp = aan/voor HEM
1 / 16
next
Slide 1: Slide
DuitsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 3

This lesson contains 16 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

herhaling naamvallen ontleden
naamval 1: onderwerp  = HIJ
naamval 4 : lijdend voorwerp = HEM
naamval 3: meewerkend voorwerp = aan/voor HEM

Slide 1 - Slide

Der Mann sucht die Milch im Supermarkt
A
der Mann = naamval 1 hij
B
der Mann = naamval 4 hem
C
der Mann = naamval 3 aan/voor hem

Slide 2 - Quiz

Er erklärt mir die Geschichte.
Hij vertelt mij het verhaal.
A
mir= naamval 1 hij
B
mir = naamval 4 hem
C
mir = naamval 3 aan hem

Slide 3 - Quiz

Ich kaufe ein neues Auto
A
ein Auto = naamval 1 hij
B
een auto = naamval 4 hem
C
een Auto = naamval 3 aan hem

Slide 4 - Quiz

ik - mij
jij - jou
hij - hem
zij - haar
het - het
wij - ons
jullie - jullie
zij - hen
u - u
ich - mir - mich
du -  dir -  dich    
er -   ihm - ihn    
sie -   ihr -  sie    
es -   ihm - es   
wir -   uns -  uns  
ihr - euch - euch
sie - ihnen - sie
Sie - Ihnen - Sie

Slide 5 - Slide

Kies het juiste woord.
Gibst du _____ deine Telefonnummer?
A
mir
B
mich
C
ich

Slide 6 - Quiz

Ich gebe .................... ein Buch.(hij)
A
ihm
B
er
C
ihn
D
ihnen

Slide 7 - Quiz

Ich werde es (hem) __ sagen, wenn ich (hem) sehe.
A
ihn - er
B
er- ihm
C
er - ihn
D
ihm - ihn

Slide 8 - Quiz

Kies het juiste woord.
Er hat _____ einen langen Brief geschrieben.
A
du
B
dir
C
dich

Slide 9 - Quiz

Maak een keuze!
Ich kenne ______
A
du
B
dir
C
dich

Slide 10 - Quiz


A

Slide 11 - Quiz

der Mann kennt ______
A
wir
B
uns

Slide 12 - Quiz

Maak een keuze!


Ich gebe ____ ein Buch.
A
1e naamval sie
B
ihr
C
4e naamval - sie

Slide 13 - Quiz


A

Slide 14 - Quiz

Ich habe (u) in der Stadt gesehen.
A
sie
B
Sie
C
ihnen
D
Ihnen

Slide 15 - Quiz

Slide 16 - Slide