003 Spaans A

Cómo estás?
1 / 21
next
Slide 1: Slide
SpaansMBOStudiejaar 1

This lesson contains 21 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 20 min
Report this lesson

Items in this lesson

Cómo estás?

Slide 1 - Slide

vorige lessen
50 woorden 
uitspraak 
getallen 0 - 20
begroeten & afscheid nemen
kennis maken
korte zinnen maken met 'hay'
grammatica: zelfstandige naamwoorden (m/v)

Slide 2 - Slide

Slide 3 - Slide

Slide 4 - Slide

Wat is het meervoud van: el chico
A
el chico
B
un chico
C
los chicos
D
unos chicos

Slide 5 - Quiz

Wat is het meervoud van: un hotel
A
unos hotels
B
unas hotels
C
unos hoteles
D
unas hoteles

Slide 6 - Quiz

Wat is het meervoud van: una bicicleta
A
un bicicleta
B
una bicicleta
C
unos bicicletos
D
unas bicicletas

Slide 7 - Quiz

Wat is het meervoud van: la ciudad
A
unos ciudades
B
unas ciudades
C
los ciudades
D
las ciudades

Slide 8 - Quiz

opdracht: enkelvoud & meervoud 
meervoud van zelfstandige naamwoorden
klinker + s; medeklinker + es
amigo - amigos; hotel-hoteles

meervoud van lidwoorden 
un - unos ; una - unas 
el - los ; la - las 

Slide 9 - Slide

Slide 10 - Video

opdracht: korte vragen & antwoorden
Qué  es  esto?                                        Wat is dit/dat? 
Es  un/una ...                                          Het is een ... 

Qué hay en ...                                        Wat is er in ...?
En el/la ... hay un/una ...                   In de/het ... is er een ... 

Slide 11 - Slide

gramática/grammatica
persoonlijke voornaamwoorden: ik, jij, hij, zij enz.  

het werkwoord SER (= ZIJN) 
(yo) soy estudiante = ik ben student 

het werkwoord TENER (= hebben) 
(yo) tengo una bicicleta = ik heb een fiets 

Slide 12 - Slide

pronombres personales singular 

yo
tú
él
ella
usted

persoonlijke voornaamwoorden enkelvoud

ik
jij
hij
zij
u (1 pers)

Slide 13 - Slide

 werkwoord SER

yo soy estudiante
tú eres estudiante

él es estudiante
ella es estudiante
usted es profesor/a

werkwoord ZIJN

ik ben student
jij bent student

hij is student 
zij is student 
u bent docent 

Slide 14 - Slide

pronombres personales 
plural

nosotros/nosotras
vosotros/vosotras

ellos/ellas
ustedes

persoonlijke voornaamwoorden meervoud 

wij (m/v)
jullie (m/v)

zij (m/v) 
u (meerdere pers.)

Slide 15 - Slide

 werkwoord SER

nosotros somos estudiantes
nosotras somos estudiantes
vosotros sois estudiantes 
vosotras sois estudiantes 
ellos son estudiantes 
ellas son estudiantes 
ustedes son profesores

werkwoord ZIJN

wij zijn studenten (m)
wij zijn studenten (v)
jullie zijn studenten (m)
jullie zijn studenten (v)
zij zijn studenten (m)
zij zijn studenten (v) 
u bent docenten 

Slide 16 - Slide

 werkwoord TENER

yo tengo una bicicleta
tú tienes un avión

él tiene un sombrero
ella tiene una maleta
usted tiene dinero

werkwoord HEBBEN

ik heb een fiets
jij hebt een vliegtuig

hij heeft een hoed
zij heeft een koffer 
u heeft geld

Slide 17 - Slide

werkwoord TENER

nosotros/as tenemos ...

vosotros/as tenéis ...

ellos/ellas tienen ...

ustedes tienen ... 
werkwoord HEBBEN

wij hebben ...

jullie hebben ...

zij hebben ...

u heeft ... 

Slide 18 - Slide

let op
Ik ben zeventien jaar. 
(yo) tengo diecisiete años.
(yo) soy diecisiete años. 
Hoe oud ben jij / Hoeveel jaren heb jij?
Cuántos años tienes (tú)?
Cuántos años eres (tú)?

Slide 19 - Slide

werkwoord TRABAJAR

(yo) trabajo
(tú) trabajas
él/ella/usted trabaja

nosotros/as trabajamos
vosotros/as trabajáis
ellos/ellas/ustedes trabajan
werkwoord WERKEN

ik werk
jij werkt
hij/zij/u werkt

wij werken
jullie werken
zij werken/u werkt

Slide 20 - Slide

LLAMARSE

yo me llamo
tú te llamas 
él/ella/usted se llama

nosotros/as nos llamamos
vosotros/as os llamáis 
ellos/ellas/ustedes se llaman
zich noemen/heten

ik heet 
jij heet 
hij/zij/u heet 

wij heten 
jullie heten 
zij heten /u heet 

Slide 21 - Slide