Grammatica - blok 3 - les 2 - woordsoorten: vz

Blok 3 - Grammatica
 Woordsoortbenoeming:
werkwoord, lidwoord, zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord en voorzetsel.


  • Telefoon in telefoonhotel
  • Ga zitten
  • Leg je boek/schrift/etui op tafel
  • Wacht in stilte tot de les gaat beginnen
1 / 10
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 1

This lesson contains 10 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

Blok 3 - Grammatica
 Woordsoortbenoeming:
werkwoord, lidwoord, zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord en voorzetsel.


  • Telefoon in telefoonhotel
  • Ga zitten
  • Leg je boek/schrift/etui op tafel
  • Wacht in stilte tot de les gaat beginnen

Slide 1 - Slide

This item has no instructions

Wat is het verschil tussen zinsontleding en woordsoortbenoeming?
Wat weet je nog?
3
  • Zinsontleden; zinnen verdelen in zinsdelen. Je leert welke zinsdelen er zijn en hoe je ze herkent.
  • Woordsoortbenoeming: een zinsdeel bestaat uit één of meerdere woorden. Je leert uit welke woordsoorten zinsdelen bestaan en hoe je die herkent.

Slide 2 - Slide

Tijdens deze fase richt je de aandacht van de leerlingen op de lesstof en activeer je de voorkennis.

Zinsontleding en woordsoortbenoeming
Wat weet je nog?
3
De knappe jongen koopt een stroopwafel op de markt.

Slide 3 - Slide

Tijdens deze fase richt je de aandacht van de leerlingen op de lesstof en activeer je de voorkennis.

  • werkwoord (ww)
  • lidwoord (lw)
  • zelfstandig naamwoord (znw)
  • bijvoeglijk naamwoord (bnw)
  • voorzetsel (vz)
Wat weet je nog over deze woordsoorten?
3
Schrijf op in je schrift.

Slide 4 - Slide

This item has no instructions

Kunnen
Je weet wat de volgende woordsoorten zijn en kent de afkorting:

  • Werkwoord (ww)
  • Lidwoord (lw)
  • Zelfstandig naamwoord (znw)
  • Bijvoeglijk naamwoord (bnw)
  • Voorzetsel (vz)


Je kunt deze woordsoorten in zinnen benoemen.



Weten
3

Slide 5 - Slide

Hier beschrijf je de leerdoelen van deze les.

                 Voorzetsels   
R Voorzetsels zijn woorden die voor een lidwoord + zelfstandig naamwoord kunnen staan.

.
Een voorzetsel staat nooit los in een zin; het is altijd onderdeel van een zinsdeel.
.
3

Slide 6 - Slide

Tijdens deze fase richt je de aandacht van de leerlingen op de lesstof en activeer je de voorkennis.

Wel of geen voorzetsel?
  • Ik / leg / de troep / op je bed.
  • Ruim / je kamer / eens / op.

3

Slide 7 - Slide

Tijdens deze fase richt je de aandacht van de leerlingen op de lesstof en activeer je de voorkennis.

Blok 3 - Zelfstandig werken
Lees
3.5 woordsoortbenoeming (blz. 122)
Maak
Opdracht 12 (schrift), 13 (schrift), 14 (stencil)
Hoe
stilte
Tijd
20 min.
Klaar
Bijspijkeren 
Resultaat
Af tijdens de les, klassikaal nabespreken
timer
15:00
3

Slide 8 - Slide

Tijdens deze fase van de les controleer je of leerlingen jouw instructie hebben begrepen d.m.v. een begeleide oefening.

Wat weet je nu nog meer over deze woordsoorten?
  • werkwoord (ww)
  • lidwoord (lw)
  • zelfstandig naamwoord (znw)
  • bijvoeglijk naamwoord (bnw)
  • voorzetsel (vz)
Lesdoel gehaald?
3
Vul aan in je schrift.

Slide 9 - Slide

This item has no instructions

Wat niet af is tijdens de les.


Evaluatie en huiswerk
3

Slide 10 - Slide

Tijdens deze fase van de les controleer je of leerlingen het leerdoel van de les hebben behaald.