Over koetjes en kalfjes praten

Programma Code+
Team , Sevgi H4, taak 3:  6.1, 6.2 en de extra opdracht (Ikea, werkblad): je hebt 2500 euro om meubels te kopen: wat vind je mooi en wat niet?

Team Mete: H6, Kleding ruilen. Opdracht 8 en 9 p. 146 en 147.

Team Gongbo, deel 2 H 4, taak 1, opdracht 9: gesprekken over koetjes en kalfjes naar aanleiding van 4 situaties


1 / 40
next
Slide 1: Slide
NT2HBOStudiejaar 1

This lesson contains 40 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

Programma Code+
Team , Sevgi H4, taak 3:  6.1, 6.2 en de extra opdracht (Ikea, werkblad): je hebt 2500 euro om meubels te kopen: wat vind je mooi en wat niet?

Team Mete: H6, Kleding ruilen. Opdracht 8 en 9 p. 146 en 147.

Team Gongbo, deel 2 H 4, taak 1, opdracht 9: gesprekken over koetjes en kalfjes naar aanleiding van 4 situaties


Slide 1 - Slide

Programma Code+
Team , Sevgi H5: een routebeschrijving begrijpen. Maak de opdrachten van taak 2.

Team Mete: H7: een afspraak maken. Maak opdracht 6, 7 en 8 (p. 160-161)

Team Gongbo, deel 2 H 4, taak 2: gesprekje over problemen. Opdracht 7, p. 81 en 82.


Slide 2 - Slide

Hoe gaat het met jullie?

Slide 3 - Mind map

Routines (1.7, p. 160)
Een route beschrijven

Je moet op de hoek rechts afslaan.
Je moet bij de halte uitstappen.
De eerste straat ga je rechts en dan rechtdoor


Vragen

Mag ik u wat vragen?
Ik zoek ..
Ik moet naar ...

Weet u waar de Grote Markt is?
Ik moet naar het station. Weet u waar dat is.

Slide 4 - Slide

De weg wijzen
Het zwembad is aan de rechterkant.
The pool is on the right.
Het stadion bevindt zich aan de overkant.
The stadium is (located) across the street.
De tram stopt tegenover de ingang.
The tram stops opposite the entrance.
U gaat de trap op/af naar boven/beneden.
You go up/down the stairs up/down.
U slaat hier linksaf. (afslaan)
You turn left here. (turn)
U gaat in die richting.
You go in that direction.

Slide 5 - Slide

De weg vragen en wijzen
Mag ik u iets vragen?
Ja, natuurlijk. Ga uw gang.
Bent u hier bekend?
Nee, ik ben hier op vakantie.
Weet u waar (de RAI) is?
U gaat in die richting en daarna volgt u de bordjes.
Ik zoek een toilet.
De toiletten zijn daar aan de rechterkant van de weg.
Bent u hier bekend?
Ja, ik kom uit Amsterdam.

Slide 6 - Slide

Hoe vind ik het toilet vanuit dit lokaal?

Slide 7 - Open question

Hoe loop ik naar het station vanaf de Windjammer?

Slide 8 - Open question

Routines (1.7, p. 160)

Een afspraak maken

Zullen we naar de film gaan?

Wanneer kun je?
Hoe laat wil je gaan?
Waaar zie ik je?

Reageren:

Ja, leuk!
Goed idee!
Nee vandaag liever niet
Vandaag kan ik niet, sorry!
Ja, ik kan wel. Hoe laat wil je gaan?

Slide 9 - Slide

Je vriend(in) vraagt:
HOI ..., ZULLEN WE IETS LEUKS GAAN DOEN? Wat zijn goede antwoorden?
A
Ja, dat weet ik niet.
B
Ja, goed idee.
C
Nee, dank je.
D
Nee, gezellig.

Slide 10 - Quiz

Jij zegt:
LEUK, WANNEER ZULLEN WE GAAN?
Wat is jouw antwoord?
A
Nee, dan kan ik niet
B
Ja, dan kan ik wel.
C
Kun je om morgen
D
Ik kan vanmiddag en jij?

Slide 11 - Quiz

Zullen we 2 kaartjes voor de avondvoorstelling__________?
A
zingen
B
afspreken
C
reserveren
D
veranderen

Slide 12 - Quiz

Zullen we naar het strand gaan ... zullen we naar het bos gaan?
A
en
B
of
C
maar
D
want

Slide 13 - Quiz

1. Zullen we straks gaan wandelen?
A
Voorstel
B
Belofte/afspraak

Slide 14 - Quiz

Zullen we ................. acht uur afspreken?
A
op
B
om
C
in
D
naar

Slide 15 - Quiz

Zullen we afspreken?
...........................heb je tijd?
42
A
Waarom
B
Welke
C
Wanneer
D
Waar

Slide 16 - Quiz

Routines (2.4, p. 81)

Hoe gaat het met je?
Hoe is het met je /u?
Hoe is het?
Alles goed?
Reageren:


Prima!
Hartstikke goed!
Goed hoor.
Ach, het gaat wel.
Eerlijk gezegd niet zo goed.
Ja hoor, en met u / jou/jullie?

Slide 17 - Slide

Routines (2.4)
Vragen naar problemen:

Is er soms iets?
Maak je je ergens zorgen over?
Je ziet er moe uit. Is alles goed met je?
U ziet zo wit. Is er iets aan de hand?


En reageren:

Nee hoor, er is iets aan de hand.
Ach nee, ik ben gewoon nu.
Ach, het gaat wel, maar ik heb het erg druk.
Nou ja, eigenlijk voel ik me niet zo lekker.

Slide 18 - Slide

Hoe gaat het nu met jullie?

Slide 19 - Mind map

Hoofdstuk 4 Code +
1. Gesprekjes voeren met mensen op straat
2. Praten over persoonlijke zaken
3. Je familie beschrijven
4. Over een relatie praten

Slide 20 - Slide

Een gesprek over koetjes en kalfjes gaat over...
A
koeien
B
iets dat heel belangrijk is
C
iets dat helemaal niet belangrijk is

Slide 21 - Quiz

"Ik heb een probleem, kun je me helpen?"
A
Dit hoort bij een gesprek over koetjes en kalfjes.
B
Dit hoort NIET bij een gesprek over koetjes en kalfjes.

Slide 22 - Quiz

Wil je thee?
A
Ja, goed. Heel mooi.
B
Zeg het wel.
C
Zeg dat wel.
D
Ja, graag.

Slide 23 - Quiz

Ik was erg ziek maar nu voel ik me weer beter.
A
Wat jammer!
B
Nee, klopt!
C
Gelukkig.
D
Ja, lekker he?

Slide 24 - Quiz

Wat een slecht weer, vind je niet?
A
Ik houd juist van dit onstuimige weer.
B
Zeg het wel!
C
Zeg dat wel!
D
Nee, klopt!

Slide 25 - Quiz

Doe haar de groeten terug. (say hello back)
A
Zal ik doen.
B
Ja, ik ook.
C
Dat zal ik doen.
D
Wat lekker.

Slide 26 - Quiz

Hoe gaat het met je?
A
Gaat wel. En met jou?
B
Prima, en met jou?
C
Uitstekend! Heerlijk weer ook!
D
Niet zo goed, ik heb veel problemen.

Slide 27 - Quiz

Poeh, poeh! Ik ben toe aan koffie!
A
Zal ik een bakje koffie voor je halen?
B
Prima, en met jou?
C
Ja, ik ook na die lange wandeling.
D
Dat zal ik doen.

Slide 28 - Quiz

Het adres was makkelijk te vinden.
A
Ja, dat dacht ik wel. Zo dichtbij het station.
B
Dat is geen probleem.
C
Wat lekker!
D
Gelukkig!

Slide 29 - Quiz

Koetjes en kalfjes (small talk)
                 Mooi weertje vandaag!
           Lekker geslapen?
                  Koud hier! Vind je niet?
                  Eindelijk schijnt de zon weer!
                 Na regen komt zonneschijn!
             Wat een drukte hier!
             Hoe was je weekend?
               Ga je nog op vakantie?

Slide 30 - Slide

Een gesprek over koetjes en kalfjes
Wat een vies weer, hè?
Ja, het regent al de hele week.
Morgen wordt het beter.
Ja, gelukkig!
Nou, dag!
Doei!

Slide 31 - Slide

Opdracht in duo's
Kies een van de onderwerpen:

1. Je loopt op de markt en praat met een kennis die je tegenkomt, over de prijzen of het weer.
2. Je gaat naar buiten en ziet dat de buren op vakantie gaan. Je praat over de vakantie.
3. Je staat in de rij in de kantine voor de kassa. Je praat met je docent over Nederlands,

Slide 32 - Slide

Over welke onderwerpen gaat de small talk in jouw land.

Slide 33 - Mind map

Hoe vraag je hoe het met iemand gaat?

Slide 34 - Mind map

Challenge in duo's:

- Vraag hoe het gaat met iemand en vertel hoe het gaat. Gebruik steeds een andere zin.

- Vraag naar de problemen van iemand. Bedenk 4 zinnen om erachter te komen waar iemand mee zit. De ander geeft de reactie.

Slide 35 - Slide

Opdracht
Je hebt problemen met geld. Je kunt de huur niet meer betalen. Je zoekt werk. Een vriend of vriendin vraagt hoe het me je gaat. Je vertelt over je problemen.

Wissel van rol als je klaar bent.

Slide 36 - Slide

Opdracht
Je hebt problemen met geld. Je kunt de huur niet meer betalen. Je zoekt werk. Een vriend of vriendin vraagt hoe het me je gaat. Je vertelt over je problemen.

Wissel van rol als je klaar bent.

Slide 37 - Slide

Karaktereigenschappen ideale man

Slide 38 - Mind map

Opdracht
Praat met elkaar over een goede vriend of vriendin van nu of vroeger. 
-Hoe kwamen jullie in contact
- Hebben jullie nog steeds contact
- Wat deden of doen jullie graag samen
- Waarom is deze vriend of vriendin belangrijk voor je.

Slide 39 - Slide

Een gesprek over koetjes en kalfjes

Vandaag gaan we:

over koetjes en kalfjes praten!

En andere korte gesprekjes 

Slide 40 - Slide