Hoofdstuk 3.3 Lenzen B3 les 3

1 / 34
next
Slide 1: Slide
NatuurkundeMiddelbare schoolvmbo kLeerjaar 3

This lesson contains 34 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Slide 1 - Slide

H3: Licht
Benodigheden
- laptop
- Binas
- Rekenmachine 


Tassen op de grond
Telefoons in de zakkie

Welkom Basis 4!
Ga zitten en start met:

Ga verder met de opdrachten 10, 11 van 3.2. 




Jas over je stoel

Slide 2 - Slide

Practicum
Welkom Kader-3 
Start met opdracht 2, 4, 6 en 8 van 2,3 Temperatuur
Je hebt straks je laptop nodig                     START IN:



Neem plaats en leg je spullen alvast klaar.
timer
3:00

Slide 3 - Slide

We gaan starten!
                                                                                               Wachttijd:
stopwatch
00:00

Slide 4 - Slide

H3: Licht
Introductie
  • § 3.1 Licht en schaduw
  • § 3.2 Spiegels
  • § 3.3 Lenzen
  • § 3.4 Een reëel beeld tekenen
  • § 3.5 Het oog
  • § 3.6 Het kleurenspectrum

Slide 5 - Slide

Lesprogramma
  1. Huiswerk controle
  2. Terugblik
  3. Leerdoelen
  4. Instructie (uitleg)
  5. Afsluiting 
  6. Huiswerk
  7. Nabespreking

Slide 6 - Slide

Huiswerkcontrole
Maak opdracht: van paragraaf 3.2 Spiegels 1 t/m 9 

Slide 7 - Slide

Over welke opgaven van
het huiswerk zijn er vragen?

Slide 8 - Mind map

Terugblik
  1. Je kunt het gezichtsveld beschrijven.
  2. Je kunt beschrijven hoe je het gezichtsveld kunt vergroten.
  3. Je kunt kenmerken van een spiegelbeeld benoemen.
  4. Je kunt een spiegelbeeld tekenen.

Slide 9 - Slide

Welke lichtbundel zie je hier ?
A
Evenwijdig
B
Convergent
C
Divergent
D
diffuus

Slide 10 - Quiz

Welke lichtbundel zie je hier ?
A
Evenwijdig
B
Convergent
C
Divergent
D
Condivergent

Slide 11 - Quiz

Hoe noem je deze lichtbundel?
A
Convergent
B
Evenwijdig
C
Divergent

Slide 12 - Quiz

Bekijk de afbeelding. De lichtstralen die bij een gloeilamp vandaan komen lopen.....,
A
Convergent
B
Divergent
C
Evenwijdig

Slide 13 - Quiz

Wat voor lichtbundel zie je hier
A
divergent
B
convergent
C
evenwijdig
D
spiegelend

Slide 14 - Quiz

Welke spiegel heeft het grootste gezichtsveld
A
holle spiegel
B
bolle spiegel
C
vlakke spiegel
D
passpiegel

Slide 15 - Quiz

Leerdoelen  3.3 Lenzen
  1. Je kunt uitleggen wat positieve en negatieve lenzen zijn.
  2. Je kunt kenmerken van positieve en negatieve lenzen opsommen.
  3. Je kunt beschrijven wat het brandpunt en de hoofdas van een lens zijn.
  4. Je kunt het verschil tussen sterke en zwakke lenzen uitleggen.

Slide 16 - Slide

Lenzen
Een lens is een schijfje van glas of doorzichtig kunststof.
Een lens is ontworpen om licht op een bepaalde manier van richting te doen veranderen. 
Positieve lenzen/bolle lenzen:                                Negatieve lenzen/holle lenzen:
Vergrootglas                                                                    Verkleind beeld

Slide 17 - Slide

Positieve lens
Met een vergrootglas kun je een evenwijdige 
bundel zonlicht naar één punt laten bewegen. 
Je gebruikt het vergrootglas dan als brandglas.

Een vergrootglas is een lens: 
bolle lens ofwel positieve lens
Zo buigt een positieve lens evenwijdig licht af.

Slide 18 - Slide

Brandpunt
Een evenwijdige lichtbundel valt op een positieve lens (figuur 3). 
In de lens buigen de lichtstralen af. Na de lens ontstaat een convergente lichtbundel (naar elkaar toe). De lichtstralen komen samen in één punt. 
Dit is het brandpunt van de lens. Na het brandpunt lopen de lichtstralen uit elkaar. 
Daar is de lichtbundel divergent.
Evenwijdige lichtbundel door een positieve lens.

Slide 19 - Slide

Een positieve lens tekenen
Een positieve lens teken je als een lijn met een + erboven (fig. 4). 
Pijltjes in de lichtstralen geven aan in welke richting het licht beweegt. 
De hoofdas is een lijn door het midden van de lens en staat loodrecht op de lens. 
Het brandpunt ligt altijd op de hoofdas. 
Het brandpunt geef je aan met de letter F.
De afstand tussen het midden van de lens en 
het brandpunt noem je de brandpuntsafstand.
Een positieve lens heeft altijd een
convergerende werking. 
Achter de lens is de lichtbundel smaller dan 
voor de lens.

Slide 20 - Slide

Sterke en zwakke lenzen
Het brandpunt zegt iets over hoe sterk een lens is. 
Als het brandpunt dicht bij de lens ligt, heb je een sterke lens (figuur 9). 
De lichtstralen worden dan sterk afgebogen.
Een sterke lens buigt de lichtstralen sterk naar elkaar toe.

Slide 21 - Slide

Sterke en zwakke lenzen
Het brandpunt zegt iets over hoe sterk een lens is. 
Als het brandpunt ver van de lens ligt, heb je een zwakke lens (figuur 10). 
Hoe kleiner de brandpuntsafstand, hoe sterker de lens is.

Een zwakke lens buigt de lichtstralen minder sterk naar elkaar toe.

Slide 22 - Slide

Kijken door een positieve lens
Met een positieve lens kun je het beeld vergroten of verkleinen. Hoe je het voorwerp ziet, hangt af van de afstand van het voorwerp tot de lens.
• Een voorwerp dat tussen de lens en het brandpunt staat, zie je vergroot en rechtopstaand.
• Een voorwerp dat vlakbij of op het brandpunt staat, zie je niet.
• Een voorwerp dat achter het brandpunt staat, zie je op zijn kop. Ook links en rechts zijn omgekeerd. De grootte van het beeld hangt af van de afstand tot de lens.

Slide 23 - Slide

Negatieve lens
Een holle lens is in het midden dunner dan aan de rand:
  • negatieve lens.                                    

Een evenwijdige lichtbundel valt op een negatieve lens (links). 
In de lens buigen de lichtstralen af. Na de lens ontstaat een divergente lichtbundel (lichtstralen gaan van elkaar weg). 
Als je de lichtstralen doortekent met een stippellijn, lijken ze uit één punt te komen. Dit punt is het brandpunt van de negatieve lens. Ook dit brandpunt ligt op de hoofdas.
De lichtbundel achter de lens is breder dan de lichtbundel voor de lens.
Kijk je door een negatieve lens, dan zie je alles verkleind. Het beeld staat rechtop.

Slide 24 - Slide

Slide 25 - Video

Samenvatting
  1. Een bolle lens is een positieve lens.
  2. Een positieve lens buigt lichtstralen naar elkaar toe (convergeren). Evenwijdige lichtstralen komen samen in het brandpunt van de lens.
  3. Een positieve lens kan het beeld vergroten of verkleinen.
  4. Het brandpunt ligt altijd op de hoofdas.
  5. De brandpuntsafstand is de afstand tussen het midden van de lens en het brandpunt.
  6. Hoe kleiner de brandpuntsafstand, hoe sterker de lens.
  7. Een holle lens is een negatieve lens.
  8. Een negatieve lens buigt lichtstralen van elkaar af (divergeren).
  9. Evenwijdige lichtstralen lijken uit het brandpunt voor de lens te komen.
  10. Een negatieve lens verkleint het beeld.


Slide 26 - Slide

Aan de slag!
Maak opdracht: van paragraaf 3.3 Lenzen
1 t/m 9 
Je mag samenwerken!

Slide 27 - Slide

Welke 3 dingen heb jij deze les geleerd?

Slide 28 - Mind map

Waar wil je nog extra uitleg over?

Slide 29 - Mind map

Afsluiting: we weten.................
  1. Je kunt uitleggen wat positieve en negatieve lenzen zijn.
  2. Je kunt kenmerken van positieve en negatieve lenzen opsommen.
  3. Je kunt beschrijven wat het brandpunt en de hoofdas van een lens zijn.
  4. Je kunt het verschil tussen sterke en zwakke lenzen uitleggen.

Slide 30 - Slide

Het is duidelijk waar we met het hoofdstuk aan het werk gaan
😒🙁😐🙂😃

Slide 31 - Poll

Ik begrijp de leerdoelen van deze les?
😒🙁😐🙂😃

Slide 32 - Poll

De les was leuk?
😒🙁😐🙂😃

Slide 33 - Poll

Afsluiting
Volgende les:

Huiswerk:

  • Zet in je planner!!
  • Maak opdracht: van paragraaf 3.3 Lenzen 1 t/m 9 

Dank voor jullie aandacht!

Slide 34 - Slide