Deviant Starters Vooraf - Thema 3 - Hoofdstuk 1 Kijken & luisteren

Toets thema 2
-  Spelfouten -> Veel leerlingen hadden spelfouten gemaakt, dit heeft onnodige punten gekost.
Voorbeeld : wit = white, niet with (met)

-  Welke taal? -> Lees goed in welke taal je moet antwoorden. Als er staat "in het Engels", dan kan ik de goede antwoorden in het Nederlands niet goedkeuren. 
1 / 22
next
Slide 1: Slide
EngelsPraktijkonderwijsLeerjaar 2,4

This lesson contains 22 slides, with text slides.

Items in this lesson

Toets thema 2
-  Spelfouten -> Veel leerlingen hadden spelfouten gemaakt, dit heeft onnodige punten gekost.
Voorbeeld : wit = white, niet with (met)

-  Welke taal? -> Lees goed in welke taal je moet antwoorden. Als er staat "in het Engels", dan kan ik de goede antwoorden in het Nederlands niet goedkeuren. 

Slide 1 - Slide

Toets thema 2
-  Woordblokken/zinblokken -> Hadden leerlingen deze geleerd? Er zijn fouten gemaakt, die met goed leren hiervan voorkomen hadden kunnen worden.

Slide 2 - Slide

Thema 3
Hobby's en uitgaan

Slide 3 - Slide

Hoofdstuk 1 Kijken & luisteren

Slide 4 - Slide

Doel
- Je leert belangrijke woorden en zinnen
- Je leert de uitspraak van woorden die met de W beginnen
- Je leert zeggen dat je iets leuk vindt ... of niet
- Je leert de uitspraak van woorden die met de G beginnen
- Je leert eten of drinken bestellen
- Je leert de werkwoorden hebben, willen en zijn


Slide 5 - Slide

Doel
-Je leert belangrijke woorden en zinnen

Slide 6 - Slide

Belangrijke woorden en zinnen
Ook in dit hoofdstuk zitten weer woorden- en zinblokken. Leer deze goed en kijk ook een beetje hoe je het schrijft.

Herhalen, herhalen, herhalen ....

Slide 7 - Slide

Doel
- Je leert de uitspraak van woorden die met de W beginnen

Slide 8 - Slide

woorden met W aan het begin
Engelse woorden met W aan het begin spreek je anders uit dan in het Nederlands.

Voorbeeld:
What, with, when

Slide 9 - Slide

Doel
- Je leert zeggen dat je iets leuk vindt ... of niet
/
- Je leert het werkwoord vinden - like

Slide 10 - Slide

Hoe zeg je het als je iets leuk vindt
Als je wilt zeggen wat je leuk vindt, dan gebruik je in het Engels het woord like
Nederlands
Engels
Ik vind ..... leuk
I like ......
Ik vind mijn broer leuk.
I like my brother.
Ik vind winkelen leuk.
I like shopping

Slide 11 - Slide

Hoe zeg je het als je iets niet leuk vindt
Als je wilt zeggen wat je  niet leuk vindt, dan gebruik je in het Engels de woorden don't like


Nederlands
Engels
Ik vind .....  niet leuk
I don't like  ......
Ik vind mijn zus niet leuk.
I don't like my sister.
Ik vind mijn kamer niet leuk.
I don't like my room.

Slide 12 - Slide

Doel
- Je leert de uitspraak van woorden met G

Slide 13 - Slide

woorden met G
Engelse woorden met G spreek je anders uit dan in het Nederlands.

Voorbeeld:
go, girl

Slide 14 - Slide

Doel
Je leert zeggen wat je hebt ..... of niet
/
Ik leer het werkwoord hebben - have

Slide 15 - Slide

Het werkwoord hebben
Als je wilt zeggen wat je hebt, dan gebruik je in het Engels het woord have

Nederlands
Engels
Ik heb
I have ......
Ik heb een zus
I have a sister.
Ik heb een telefoon.
I have  a phone.

Slide 16 - Slide

Het werkwoord hebben
Als je wilt zeggen wat je niet hebt, dan gebruik je in het Engels de woorden don't have

Nederlands
Engels
Ik heb geen 
I don't have......
Ik heb geen broer.
I don't have a brother.
Ik heb geen computer.
I don't have  a computer.

Slide 17 - Slide

Doel
Je leert zeggen wat je wilt ..... of niet
/
Ik leer het werkwoord willen - want

Slide 18 - Slide

Het werkwoord hebben
Als je wilt zeggen wat je wilt, dan gebruik je in het Engels het woord want

Nederlands
Engels
Ik wil
I want ......
Ik wil gaan winkelen
I want to go shopping.
Ik wil uitgaan.
I want to go out.

Slide 19 - Slide

Het werkwoord hebben
Als je wilt zeggen wat je niet wilt, dan gebruik je in het Engels de woorden don't want

Nederlands
Engels
Ik wil niet
I don't want ......
Ik wil niet naar huis
I don't want to go home.
Ik wil niet terugkomen.
I don't want to come back.

Slide 20 - Slide

Doel
Je leert het werkwoord zijn

Slide 21 - Slide

Het werkwoord zijn
Enkelvoud:                                           Meervoud




                                                Let op : Zij is er bij enkelvoud/meervoud
                                                                You is er bij enkelvoud/meervoud
Ik ben
I am
Jij bent
You are
Hij is
He is
Zij is
She is
Het is
He is
Wij zijn
We are
Jullie zijn
You are
Zij zijn
They are

Slide 22 - Slide