CG A1 Unidad 9 deel 2_lesweek 6_les 1

Unidad 9_Nr. 5 t/m 12 TB+ Panam
¿Qué tal tu fin de semana?
¿Cuál es la fecha? ¿y la hora?
1 / 42
next
Slide 1: Slide
spaansHBOStudiejaar 1

This lesson contains 42 slides, with text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 180 min

Items in this lesson

Unidad 9_Nr. 5 t/m 12 TB+ Panam
¿Qué tal tu fin de semana?
¿Cuál es la fecha? ¿y la hora?

Slide 1 - Slide

Unidad 9 parte II
Hoy es lunes, 23 de marzo

TT 7+8


hoy repaso parte I (Un.9)
inicio parte II, 5 t/m 12






timer
15:00

Slide 2 - Slide

¿preguntas Unidad 7?
we bespreken nu opdracht 14 en 15 en 16 WB=
unidad 9

vergelijkingen/wederkerend ww/ropa hoy llevo

Wat weten we nog?

Slide 3 - Slide

comparativos irregulares
grande - mayor
bueno -mejor
malo-peor

zie ook 5.4 p. 118 TB 

Slide 4 - Slide

malo -> peor

peor = slechter, slechtst



Para matemáticas tengo la peor nota de la clase.
(Voor wiskunde heb ik het slechtste cijfer van de klas.)












Slide 5 - Slide

bueno -> mejor

mejor = beter, best

La foto de Pablo es mejor que la de Enrique.
(De foto van Pablo is beter dan die van Enrique.)

Maar ook: la tarta de fresas es más buena que la tarta de manzana
bueno/-a = lekker, más bueno/-a = lekkerder (bij smaak)

Slide 6 - Slide

grande -> mayor
más grande = groter (qua omvang, ruimte)
mayor = groter (figuurlijk), ouder, oudst

Tu casa es más grande que la mía.
(Jouw huis is groter dan het mijne.)

Mi hermana mayor estudia en Bruselas.
(Mijn oudere/oudste zus studeert in Brussel.)











Slide 7 - Slide

pequeño -> menor
más pequeño = kleiner (qua omvang, ruimte)
menor = minder, jonger, jongst

Mi coche es más pequeño que el suyo.
(Mijn auto is kleiner dan de zijne.)

Mi hermana menor tiene veinte años.
(Mijn jongere zus is twintig jaar.)









Slide 8 - Slide

maak nu een vergelijking met 'barato'

Slide 9 - Slide

vergelijkingen
Juan es simpático
Pedro es simpático.
Carlos es muy simpático.
Juan es tan simpático como Pedro.
Carlos es más simpático que Juan y Pedro.
Carlos es el (chico) más simpático.

Slide 10 - Slide

vergelijkingen
Susana es guapa.
Carla es guapa.
Ana es muy guapa.
Susana es tan guapa como Carla.
Ana es más guapa que Susana y Carla.
Ana es la (chica) más guapa.

Slide 11 - Slide

ook:
oudste
jongste
timer
5:00
let op:
el problema
dus: hij/zij werkt minder dan u/evenveel als u.

Slide 12 - Slide

Slide 13 - Slide

vergelijk
Luisa ha sacado un 9 para el exámen.
 Petra ha sacado un 8 para el exámen.
Maak de vergelijking in het Spaans af:

La nota (het cijfer van) de Petra es ...

Slide 14 - Slide

vergelijk
tengo 2 hermanos
Mi hermano Manuel tiene 20 años.
Mi hermanito Ruben tiene 16 años.
Yo tengo 18 años.
Maak minstens 3 vergelijkingen en begin met:
"Ruben...  "
(gebruik menos/mayor/el menor)

Slide 15 - Slide

¡A practicar con los reflexivos!
la rutina de Pablo

en grupos

Slide 16 - Slide

¡A practicar con los reflexivos!
TB Oefening 5b p.80 
Vraag aan je medecursist of de onderstaande stellingen op haar/hem van toepassing zijn.
1. Ducharse con agua fría.
¿Te duchas con agua fría?
 -Sí, me ducho con agua fría
-No, no me ducho con agua fría

Slide 17 - Slide

14b WB extra uitleg
14a. zin 1. Miguel se levanta a las 8 (hij staat op om 8 uur)
14b. zin 1. Miguel se ha levantado a las 8 (hij is opgestaan)

Hoe omzetten van een wederkerend werkwoord van de presente naar presente perfecto?
Zie stappenplan op volgende slide

Slide 18 - Slide

Hoe omzetten van presente naar presente perfecto?
1. se levanta (presente, hij-vorm) / se acuesta
2. wat is infinitief? levantarse / acostarse
3. perfecto levantarse? -> levantarse -> levantado / acostado
4. toevoegen hulp ww perfecto -> ha
5. ha levantado (hier mag je niets tussen zetten) / ha acostado
6. toevoegen pers.voornaamwoord van wederkerende ww (me, te, se, nos, os ,se), vóór het hulp werkwoord dus.
7. se ha levantado / se ha acostado

Slide 19 - Slide

Het persoonlijk vnw staat:
- altijd voor het vervoegde werkwoord (het staat los)
Me ducho con agua fría
Maar: als er ook een infinitief bij staat mag het er ook achter:
Me  voy a duchar
of
- direct achter de infinitief (dan wel er aan vast!)
Voy a ducharme con agua fría

Slide 20 - Slide

a practicar en grupos
14b + 

werkblad verbos reflexivos

Slide 21 - Slide

Caminando
AHORA parte II, Nr. 5 t/m 12 TB:
  • aanwijzend vnw
  • Gerundio

Empezamos con 5 TB p.80

Slide 22 - Slide

Conocer a
Visitar a      + persoon 
encontrar a
Disfrutar  de
conocer
visitar           + geen persoon
encontrar
conocer=
leren kennen, kennen
encontrar (ue): vinden
behalve na  tener
tener a 2 hijos
werkwoorden met vaste voorzetsels, Nr. 5 TB p. 80
este fin de semana, ¿habéis disfrutado del sol?

Slide 23 - Slide

De volgende werkwoorden hebben vaak een persoon als lijdend voorwerp en het lv wordt dan voorafgegaan door a
Conocer a
Visitar a      + persoon 
encontrar a
1. ¿Conoces a Shakira?
Sí, la conozco. of: No, no la conozco.

2. ¿Visitas hoy a tus padres?
Sí, los visito.

3. ¿Has encontrado a los otros peregrinos? 
Sí, los he encontrado
Lijdend voorwerp:
lo,los,la,las
timer
5:00
Maak 17 WB p.85

Slide 24 - Slide

Personen als lijdend voorwerp
lo, la, los, las
Conocer a
Visitar a             + persoon 
encontrar a
Disfrutar  de
conocer=
leren kennen, kennen

Slide 25 - Slide

A mí me gusta la pizza (me = meew/vw)
A mí = beklemtoonde vorm -> altijd met 'a'

A mi hija le gusta la pizza también ( le = meew vw)
A mi hija = concreet maken op wie 'le' betrekking heeft en is dus ook deel van het meewerkend vw 

Haz ejercicio WB p. 85 ej. 17

Slide 26 - Slide

Het aanwijzend voornaamwoord
zie ook p. 80 en de 
uitleg bij 6.4 op pag. 121 TB


Slide 27 - Slide

Het aanwijzend voornaamwoord, Nr. 6 TB p. 80
57
Zie ook schema bij 6a en 6b TB

este/a/estos/as = deze, dit        ese/a/esos/as = die, dat
esto = dit (hier)                          eso = dat (daar)

-> esto /eso verwijst naar iets wat niet concreet wordt genoemd.

Slide 28 - Slide

vervolg aanwijzend vnw, zie ook 6.4 p. 121 TB
Dichtbij de spreker ->                      ESTE, ESTA, ESTOS, ESTAS  ->deze, dit (+ hier)
aquí = hier 

Iets verder van de spreker->          ESE, ESA, ESOS,ESAS -> die, dat (+daar)

ahí / allí = daar /  daarginds            AQUEL/ AQUELLA / AQUELLOS / AQUELLAS
                                                                 -> die, dat (+daarginds)

Slide 29 - Slide

vervolg aanwijzend vnw, zie ook 6.4 p. 121 TB
"Este gato aquí." Deze kat hier
"Ese gato ahí."     Die kat daar
"Aquel gato allí." Die kat daarginds

Slide 30 - Slide

vervolg aanwijzend vnw
"Esta chica aquí." Dit meisje hier
"Esa chica ahí."     Dat meisje daar
"Aquella chica allí." Dat meisje daarginds
maak nu 18 WB p.86

Slide 31 - Slide

a practicar
Nr. 7 TB 
in tweetallen 6 verschillen zoeken en opschrijven
gebruik werkwoorden en vergelijkingen en 
natuurlijk je woordenschat



timer
7:00

Slide 32 - Slide

Tekstboek p.81 Nr.8
Lees de tekst en beantwoord de vragen in hele zinnen.
1. ¿Cuánto tiempo se necesita para hacerlo  (lo=el camino)?
2. ¿Se puede ir solo?
3. ¿Qué se puede hacer para evitar el mal de las alturas?
4. ¿Cuáles son los mejores meses para hacer la ruta?
5. ¿Qué calzado se recomienda?



Slide 33 - Slide

Dar consejos - Adviezen geven, Nr. 9 TB p. 81
Je kunt in het Spaans adviezen geven met onderstaande constructies. Je gebruikt ze in combinatie met het hele werkwoord. 
  1. Se recomienda + hele werkwoord = Men beveelt aan om...
  2. Es mejor + hele werkwoord = Het is beter om ...
  3. Conviene + hele werkwoord = Het is raadzaam om ...
  4. (No) es necesario + hele werkwoord = Het is (niet) nodig om..

Slide 34 - Slide

Dar consejos - Nr. 9a vul eerst het schema verder aan
Dar consejos ...

Se recomienda ...
Es mejor ...
(No) Conviene ...
(No) Es necesario ...


timer
5:00

Slide 35 - Slide

Dar consejos ...

  • Se recomienda ...

  • Es mejor ...
  • (No) Conviene ...

  • (No) Es necesario ...
+ infinitivo

pasar unos días en Cusco.
llevar zapatos cómodos.
viajar en junio, julio o agosto.
hacer la ruta en cuatro días.
llevar niños a esta excursión.
llevar alimentos.  

Slide 36 - Slide

Dar consejos - Nr. 9b Recomendaciones para viajar
en grupos de 3 o en parejas
kies een reisdoel en maak adviezen
maak ook opdracht 7 werkboek


timer
10:00

Slide 37 - Slide

Slide 38 - Video

 ¿Qué meto en la maleta?
  • Bekijk het filmpje.
  • Noteer zoveel mogelijk dingen die Eva in haar koffer stopt.
(stencil)

Slide 39 - Slide

Dar consejos
- No leo nunca. 
--> Conviene leer libros interesantes.

Kies een situatie en formuleer 4 "consejos" zoals bij nr. 9a TB p.81

Slide 40 - Slide

timer
10:00
soluciones ->

Slide 41 - Slide

Slide 42 - Slide