H3 Futur simple : onregelmatige werkwoorden

Questions
  • wanneer gebruik je de futur simple?
  • wat zijn de uitgangen van de futur simple?
  • vervoegen : welke stappen neem je?
  • welke onregelmatige werkwoorden zijn er?
1 / 24
next
Slide 1: Slide
FransMiddelbare schoolmavo, havo, vwoLeerjaar 2

This lesson contains 24 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Questions
  • wanneer gebruik je de futur simple?
  • wat zijn de uitgangen van de futur simple?
  • vervoegen : welke stappen neem je?
  • welke onregelmatige werkwoorden zijn er?

Slide 1 - Slide

Le futur simple
  • Om uit te leggen dat iets nog zal gaan gebeuren
  • In het Nederlandse gebruik je: zullen

       "Morgen zal ik vrij hebben: dan is het zaterdag"
       "Demain je serai libre: ce sera samedi"

Slide 2 - Slide

Le futur simple - stappenplan
regelmatige ww er, ir, re
       1 - bepaal wat het hele werkwoord is
       2 - eindigt deze op een 'e' haal deze er dan af
       3 - plak de juiste uitgang van de futur er achter
     

Slide 3 - Slide

Le futur simple - de uitgangen
Werkwoorden op ir        - op er                   -op re
Je               choisirai          mangerai             prendrai
Tu               choisiras         mangeras            prendras
Il/elle/on  choisira           mangera              prendra
Nous         choisirons      mangerons         prendrons
Vous          choisirez         mangerez           prendrez
Ils                choisiront      mangeront          prendront

Slide 4 - Slide

Futur simple: onregelm. ww.
  • Bij zes werkwoorden is de stam onregelmatig
  • être - je serai - ik zal zijn 
  • avoir - j'aurai - ik zal hebben
  • faire - je ferai - ik zal maken / doen 
  • Aller - j’irai - ik zal gaan
  • pouvoir - je pourrai - ik zal kunnen
  • vouloir - je voudrai - ik zal willen
Tip!
Schrijf dit rijtje op als aantekening

Slide 5 - Slide

Zij zal gaan

Slide 6 - Open question

ik zal hebben

Slide 7 - Open question

Ik zal willen

Slide 8 - Open question

zij zullen maken (ils)

Slide 9 - Open question

hoe maak je de futur simple?
A
stam + uitgangen -ais - ais etc.
B
infinitif + uitgangen -ais -ais etc
C
stam + uitgangen -ai -as etc.
D
infinitif + uitgangen -ai -as etc.

Slide 10 - Quiz

Wat zijn de uitgangen van de futur simple?
A
ais/ais/ait/ions/iez/ aient
B
ai/as/a/ons/ez/ont
C
ai/as/a/ions/iez/aient
D
ais/ais/ait/ons/ez/ont

Slide 11 - Quiz

Welke zin staat in de futur?
A
Tu seras à la maison
B
Tu serais à la maison
C
Tu es à la maison
D
Tu a été à la maison

Slide 12 - Quiz

futur simple:
hij zal zijn
A
il sera
B
il aura
C
il ira
D
il voudra

Slide 13 - Quiz

Futur simple:
ik zal kunnen
A
Je voudrai
B
j'irai
C
je pourrai
D
je ferai

Slide 14 - Quiz

futur simple:
zij zal willen
A
elle pourra
B
elle voudra
C
elle viendra
D
elle ira

Slide 15 - Quiz

futur simple:
wij zullen zijn
A
on sera
B
on aura
C
nous seront
D
nous aurons

Slide 16 - Quiz

futur simple:
jij zal hebben
A
tu devras
B
tu feras
C
tu auras
D
tu iras

Slide 17 - Quiz

futur simple:
zij zullen zijn
A
ils serons
B
ils aurons
C
ils seront
D
ils auront

Slide 18 - Quiz

futur simple:
u zult kunnen
A
nous voudrez
B
vous pourrez
C
nous pourrons
D
vous devrez

Slide 19 - Quiz

Futur simple:
ik zal kunnen
A
Je voudrai
B
j'aurai
C
je pourrai
D
je ferai

Slide 20 - Quiz

futur simple:
men zal zijn
A
il aura
B
nous serons
C
on sera
D
vous ferez

Slide 21 - Quiz

futur simple:
wij zullen hebben/krijgen
A
on fera
B
nous aurons
C
on sera
D
nous devrons

Slide 22 - Quiz

futur simple:
hij zal zijn
A
il sera
B
il aura
C
il ira
D
il voudra

Slide 23 - Quiz

vertaal:
Jullie zullen willen

A
on voudra
B
vous vourrez
C
ils voudront
D
vous voudrez

Slide 24 - Quiz